Van Adorp tot Zuurdijk

1914-1945

IJe Wijkstra en de moorden in Doezum

IJje Wijkstra, voeger, timmerman, klompmaker en stroper, schoot in 1929 vier veldwachters dood in Doezum. Het verhaal is welbekend. Mijn opa was zijn buurman, mijn moeder zijn buurmeisje. Ze weet het nog goed: haar vader ging de melkbussen bij de weg zetten en kwam daar de veldwachters tegen. Hij was waarschijnlijk de laatste die met de vier mannen heeft gesproken…

Toen ik op internet een link vond naar de strafdossiers op de site van Tresoar was ik direct nieuwsgierig om de verhoren en getuigen verklaringen te lezen.Mijn moeder, toen bijna 6, had mij vroeger al verteld dat IJje hun buurman was en dat ze op een dag moesten vluchten toen ze schoten hoorden. Op oude krantenfoto’s probeerde ik altijd mijn pake te herkennen in de omstanders. Hij moet er bij gestaan hebben. Wat was ik verrast toen ik de getuigenverklaring van mijn pake las in de processtukken.

18 januari 1929

Pake had het van dichtbij meegemaakt. Toen hij die vrijdagochtend 18 januari 1929 om half acht de melkbussen bij de weg zette heeft hij de vier veldwachters gezien en zelfs nog met ze gesproken, waarschijnlijk als laatste dus. Dat had ik niet eerder gehoord. De veldwachters vertelden hem dat ze Aaltje Wobbes kwamen halen. Aaltje had haar 6 kinderen in de steek gelaten en was bij IJje ingetrokken. Haar man zat in de gevangenis en zij moest voor het gerecht komen wegens verwaarlozing van haar kinderen.

Mijn pake heeft gezien dat IJje schoot. Pake ging toen in huis 'om zijn kinderen in veiligheid te brengen'. Toen ik dat las, realiseerde ik me wat dat geweest moet zijn: vijf kinderen en een zwangere vrouw naar familie in Kornhorn begeleiden, door de weilanden. De oudste zus van mijn moeder, Martje Postma, was 7½ jaar, mijn moeder Aafke bijna 6. Dan had je nog Haaye van 4½ , Annie van 3½ en Joke van 1½. Wat zal dat angstig zijn geweest, je wist immers niet wat de buurman zou gaan doen: welke kant zou hij op vluchten?

Ik heb mijn moeder bevraagd naar die ochtend toen ze 89 jaar was. Ze wist het nog goed: haar vader ging naar de Leidijk om de melkbussen bij de weg te zetten. De Rottelaan (nu de Polmalaan) was toen namelijk een reet. Pake Ate moest dus met de melkbussen langs het huis van IJje en zag daar de veldwachters, met wie hij dus nog sprak. Toen pake terugkwam in huis, verbood hij zijn oudste dochter Martje om naar school te gaan die dag. Ze zou dan langs het huis van IJje moeten lopen en dat vond pake te gevaarlijk.

De kinderen in veiligheid

Pake ging weer naar buiten en zag wat er gebeurde. Hij hoorde schoten en gekerm en zag dat IJje speurend rondliep. Toen IJje op het land van pake liep, vond pake het te gevaarlijk worden. Hij pakte de jongste kinderen onder de arm en ze verlieten de woning. Ze gingen door het weiland, door de sneeuw, naar Kornhorn. In het eerste huis dat ze bereikten, woonden kennissen en daar gingen ze naar binnen.

Pakes getuigenis', in: Het vaderland: staat- en letterkundig nieuwsblad’, 13-02-1929
Pakes getuigenis', in: Het vaderland: staat- en letterkundig nieuwsblad’, 13-02-1929

Mijn moeder ging met een aantal van de kinderen en beppe naar oom Andries en tante Trientje (de Vries-de With), die verderop in Kornhorn woonden. Ze weet nog dat ze daar toen tussen de middag boerenkool aten. De andere kinderen bleven bij het eerste huis. Pake ging weer terug en moest toen naar Grootegast om een getuigenis af te leggen. Die is dus te lezen op de site van Tresoar.

Weer thuis na het drama

‘s Middags werden beppe en de kinderen weer thuis gebracht. De volgende dag is mijn moeder met pake wezen kijken bij het uitgebrande huis van IJje. Toen later de rechtszaak plaatsvond, moest pake Ate ook in de rechtszaal getuigen. Zijn naam stond ook vermeld in een krant en die krant heeft jaren bij mijn pake en beppe op de kast gelegen.

Gelukkig is er nu veel te vinden op internet. Op de site van historische kranten vond ik nog oude artikelen. Daarin de verklaring die pake tijdens de rechtszaak aflegde.

Pake legt een getuigenis af

De getuigenis van pake op 18 januari 1929 aan het politiebureau te Grootegast:

Getuige 5: Ate Postma, veehouder, oud 41 jaar, wonende te Doezum, gemeente Grootegast, die verklaarde:

“Hedenvoormiddag, 18 Januari 1929, omstreeks half acht uur liep ik langs het huis van Yje Wijkstra, staande onder Doezum, gemeente Grootegast, en zag, dat vier veldwachters bij het huis van Yje heen en weer liepen. Ik zag, dat veldwachter Van der Molen een paar maal naar het raam van het huis van Yje ging, wat hij daar deed weet ik niet, terwijl de andere veldwachters op den zandweg voor het huis van Yje bleven. Toen ik de melk naar den weg bracht heb ik nog met de veldwachters gesproken en vroeg aan hen wat er aan de hand was, waarop Van der Molen mij vertelde dat zij, de vrouw, die bij Yje in huis was moesten hebben.

Zoodra ik thuis was hoorde ik, dat er geschoten werd, hoe vaak weet ik niet. Na het eerste of tweede schot hoorde ik, dat er gekermd werd. Toen ik kort daarop op den zandweg kwam zag ik, dat Yje in knielende houding bij zijn huis lag en, dat hij in Zuidelijke richting schoot. Veldwachters zag ik toen niet. Ik was zeer bevreesd en bleef daarom op een afstand van ongeveer 120 M. van het huis van Yje verwijderd.

Even nadat ik Yje zag schieten zag ik, dat hij om zijn huis heen alles afzocht. Weer even later zag ik, dat rook wolken uit het dak van het huis van Yje opstegen. Ik heb niet gezien, dat Yje weg ging, omdat ik mijn kinderen in veiligheid heb gebracht. Meerdere malen heb ik gezien, dat Yje in het bezit was van een militair geweer en een browning.”

IJe als buurman

Volgens mijn moeder vertelde pake over IJje dat hij altijd veel grootspraak had. Hij had eens tegen pake gezegd: “Als je in je huis voor het raam staat, kan ik je zo raken”. Pake en beppe hadden duidelijk zicht op het huis van IJje, het lag er 150 tot 200 meter van af en ze zagen hem vaak een appel of zo van een paaltje af schieten.

Pakes getuigenis, in: Tilburgse Courant, 10-05-1930
Pakes getuigenis, in: Tilburgse Courant, 10-05-1930

IJje woonde altijd nog thuis bij zijn moeder Sjouktje. Toen Aaltje bij hem inkwam, ging zijn moeder bij haar zoon Hendrik wonen, iets verderop, ook aan de Polmalaan. Schuin tegenover haar eigen woning. Volgens het verhaal van IJje was het net andersom: moeder ging bij Hendrik inwonen omdat ze niet veel meer kon en ziekelijk was en toen kwam Aaltje bij hem.

Deze buurvrouw Sjouktje kwam veel over de vloer bij pake en beppe en hielp mee in het gezin. Ze was vaak voor hen aan het aardappelen schillen. Volgens mijn moeder was ze erg met het geloof bezig. Ze is tien dagen na de viervoudige moord overleden, men vermoedt van ontzetting.

Weg van die plek

Na dit vreselijke gebeuren wilde beppe Gepke verhuizen, ze wilde niet langer wonen daar waar het drama zich had afgespeeld. Pake kocht toen een boerderijtje aan de Provinciale weg en ze verhuisden op 12 mei (alde maaie) 1929, dus nog hetzelfde jaar. Volgens mijn moeder staat de herdenkingssteen niet op de juiste plek. Het huisje van IJje stond meer naar het noorden. “Der wie ien kampke lan tusken.”