1648-1914

Berend Kunst, een spoor van portretten

Een simpel schildje aan de zijmuur van Hoofdstraat 51 in Nieuwolda meldt zijn geboortehuis: 'Berend Kunst (1794-1881) portretschilder'. De molenaarszoon gooit op zijn 27e het roer om. Hij laat zijn bakkerij de bakkerij en gaat op reis door Europa.

Vader Wiert Luitjens Kunst heeft een droom: hij maalt als molenaar het meel en tweede zoon Berend bakt er brood van. In het begin komt die droom ook uit. Berend bakt, kneedt, boetseert het deeg tot kunstige vormen. Hij leeft zich uit in brood, koek en snoepgoed en zijn vrouw Auke Albertus Rooda uit Nieuw Scheemda, met wie hij in 1816 trouwt, stalt alle waar uit in de etalage.

In Kunsts winkel komt allerlei volk over de vloer. Opeens moet bij hem de vonk zijn overgeslagen. Hij wil die gezichten portretteren, hij wil hen vereeuwigen. Hij begint te tekenen. Eerst voor vrienden, familie en buren, maar Berend wil meer, veel meer. Hij wil de wijde wereld in.

Die wereld is op drift geraakt. Napoleon is in de winter van 1813 net verslagen in Rusland; in Wenen vergaderen de landen over een nieuw Europa. Berend voelt de tijdgeest perfect aan en wil Europa intrekken om die nieuwe wereld te ontdekken.

Hij verhuist in 1821 met zijn vrouw en vier kinderen naar de stad Groningen. Zijn leermeester is de Belg Gerardus de San, directeur van de Groninger Tekenacademie, een erudiet man die hem de fijne kneepjes van het vak leert. Berend Kunst zal zijn leven lang in pastel tekenen. Palet en penseel neemt hij slechts bij uitzondering ter hand. In Groningen is de concurrentie groot. Meer portrettisten zijn actief, maar in 1825 wint Berend Kunst een prestigieuze prijs en acht dukaten voor zijn portret van de apostel Petrus.

'Verrotte kool'

Hij is dan al twee jaar actief als ’pourtraitist’ in Emden, Jever en omstreken. Dat reizen bevalt hem uitstekend. Hij zal een halve eeuw lang zijn koffers pakken en steden en dorpen bereizen in Nederland, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Zweden. Bij elkaar vervaardigt hij meer dan zesduizend portretten. Zorgvuldig noteert hij in een werkboekje plaats en naam van de geportretteerden. Per diligence of trekschuit begeeft hij zich langs ’s Heeren wegen, een spoor van portretten achterlatend.

Hij is zo vaak van huis dat hij de geboorte van zijn jongste drie kinderen niet meemaakt en de aangifte aan de vroedvrouw overlaat. In december 1842 wordt zijn oudste zoon Wiert ernstig ziek. Toch vertrekt hij op weg naar nieuwe opdrachten. Hij gaat naar de omgeving van Oldenburg, want in de stad Groningen houdt hij het niet uit. In een brief aan huis is hij bepaald niet vleiend over de stad: ’’Voor omstreeks 4 weeken verliet ik Groningen, welke plaats zoo weinig bekoorlijks voor mij heeft als een verrotte kool bij een groenwijf.’’

Zijn passie om te reizen en te tekenen gaat zelfs zover dat hij bij het horen van het droevige bericht van het overlijden van zijn zoon Wiert, 20 jaar oud, niet terugkeert naar huis. Hij uit zijn emotie in een gedicht, een klaagzang:

Rust zacht uw asch mijn zoon, in ’s aardrijks koelen schoot,
Ook eerlang zal dees aard mijn stof’lijk deel bedekken,
Dan sluimren wij te zaam, tot Hij die graf en dood,
Zoo luistrijk overwon, ons uit dien slaap zal wekken.

Pas aan het eind van het jaar 1844, dus twee jaar na de dood van zijn zoon, keert Berend Kunst terug, maar ook weer niet voor lang. Duitsland roept. De Brenninkmeijers (van C&A) nodigen hem uit. Hij reist door naar Denemarken en maakt zelfs de oversteek naar Noorwegen en Zweden. In maart 1847 zeilt hij in acht dagen terug naar Holland. Meestal keert hij in het najaar huiswaarts omdat dan het reizen te ongemakkelijk wordt.

Geen vetpot

Kunst tekent niet alleen boeren en burgers, ook bij de adel is hij kind aan huis. In Detmold vereeuwigt hij Fürst Leopold II zur Lippe en Fürstin Emilie en hun kinderschaar. De zeven portretten prijken 175 jaar na dato nog altijd in de slaapkamer van het slot. Meestal ontvangt hij 12 dukaten (€ 120,-) voor een pastel of crayontekening. Geen vetpot, maar hij accepteert elke opdracht.

Af en toe snoeft hij in een brief aan zijn broer Johan, die een winkel drijft in Nieuwolda, dat een cliënt hem met een koetsier in livrei laat ophalen uit zijn logement. Hij mag aanschuiven aan de dis van de opdrachtgever en daar is hij maar wat trots op.

De lust verre reizen te ondernemen vergaat hem in de jaren zestig van de 19e eeuw. Zijn gezichtsvermogen mindert en de vraag naar pasteltekeningen neemt af. De nog in de kinderschoenen staande fotografie doet haar intrede.

Met onzekere hand noteert de 78-jarige Berend Kunst in 1872 in zijn werkboekje zijn laatste portretten. Eén van die laatste werken is van de eigenaar van het hotel ’Deutsches Haus’ in Papenburg ter ere van zijn gouden bruiloft. Eén van de elf kinderen ontbreekt. Zij zit gevangen wegens belediging van keizer Wilhelm I.

Berend Kunst overlijdt op 8 juni 1881 in Hoogezand, 87 jaar oud. Op zijn overlijdensakte staat bij beroep ’niets’ ingevuld.

De Zilverkamer in Appingedam eert de kunstenaar met 24 portretten. Tot 5 februari 2017 zijn ze van dinsdag tot en met zaterdag te zien tussen 11.00 en 17.00 uur.

Bron: Berend Kunst, reizend portretschilder (1794-1881), dr E.J.F. Smits-drs P.J. Huizinga, uitgeverij J. Niemeijer Groningen 1974