Van Adorp tot Zuurdijk

1945-1989

Zomerse hitte

Het kan in deze tijden ook warm zijn, maar de hitte van de jaren veertig en vijftig staat nog vers in mijn geheugen gegrift. Toen waren er nog geen overhemden met korte mouw, luchtige T-shirts of halters te koop. Bij de mannen werden de mouwen van de overhemden omhoog gekruld. Ook droeg men in de zomer meestal een halfwollen hemd met mouwen onder het overhemd.

Als het heet was en de boeren gingen naar het land om te hooien, dan werd er heel wat afgezweet. Alles werd namelijk nog gemaaid met de zeis en met het reef bij elkaar gehaald. Daarna werden er hooioppers van gemaakt. Met een riek werd alles in de hooiwagens gedaan. Die waren vaak afgeladen vol. De boerenknecht zat bovenop het hooi. Het paard dat de wagen trok, had het zwaar te verduren. Thuisgekomen werden de hooiwagens in de schuur gereden, om zo afgeladen te worden. Een heel werk en dat alles met mankracht. De hitte van de zomer had het hooi snel doen drogen. Als er onweer op komst was, dan werd de hele familie ingezet om het hooi snel onder dak te krijgen. Mijn overbuurman was boer en iedere zomer speelde dit tafereel zich weer af. We genoten er als kinderen van om dit alles te kunnen bekijken. Bijzonder was dat de boerderij midden in Aduard stond tussen de burgerwoningen, zomaar in een straat waar wij woonden.

Er heerste grote saamhorigheid onder de mensen van ons dorp, vooral in de zomer als het heet was. De hele buurt ging dan buiten zitten. Luxe zomerstoelen waren er echter niet veel. Hooguit een ouderwetse houten ligstoel met een gestreepte, verschoten, canvasloper erin verwerkt. Die waren soms zo ‘gaar’, dat als je in de stoel ging zitten, het stof scheurde en je plat op je gat op de grond viel. Dan moest je er weer uitgetrokken worden door iemand. Meestal werden keukenstoelen voor het huis gezet als de zon was ondergegaan. Alle buren en overburen deden hetzelfde. Op een rij zat men voor het huis ’s avonds, om nog gezellig wat bij te praten over de dingen van de dag en over de warmte die er heerste. De boer van de overkant zat in zijn hemd uit te blazen van de drukke werkzaamheden. Een flesje pils naast zijn stoel. Wij kregen ranja of gazeuse.

Hoe kon je slapen?

Het was vaak drukkend warm, zowel buiten als in huis. We hadden geen beschoten kap en keken zo tegen het gaas en dakleer aan. Wat een hitte als de zon de hele dag had geschenen en een kou in de strenge wintermaanden. Wij, als kinderen moesten naar bed, maar konden niet slapen vanwege de warmte en het drukke gepraat buiten op straat. We vonden het ook veel te gezellig buiten om te gaan slapen. We riepen vanuit het slaapkamerraam, dat ze stil moesten zijn, maar men riep dan terug: ‘sloap’n goan’. We hadden de haren nat op het hoofd liggen van zweet. Hoe kon je op deze manier slapen? Op den duur mochten we meestal toch naar beneden komen als het slapen echt niet lukte.

Zwaar weer op komst

We zaten lang buiten ’s avonds, zelfs tot het donker werd. Bij een naderende donkere lucht sprak men over het ‘zwaar weer’, wat op komst was. Mijn vader was altijd gefascineerd door de onweerskoppen en de bliksemschichten. Als de eerste druppels vielen (hittedruppels noemden mijn ouders dat) werden alle keukenstoelen snel naar binnen gebracht. De hele buurt ging naar huis, in afwachting van wat het weer zou brengen. Als het onweer losbarstte en wij al sliepen, moesten we naar beneden komen. Het was gevaarlijk in bed te blijven als het zulk noodweer was. De kleren werden aangetrokken, want stel dat de bliksem zou inslaan en wij plotseling naar buiten moesten. Daar zaten we dan met bleke, gapende en slaperige gezichtjes, wachtend op de dingen die komen zouden. De donder rolde en je hoorde de stortregen.

Boven op zolder hadden we vaak lekkage. Moeder ging dan naar boven en zette overal pannetjes neer om het water wat op te vangen. De riolering raakte ook menigmaal verstopt waardoor de straat blank kwam te staan. Alle kostbaarheden, zoals het geldkistje werden bij zulke buien tevoorschijn gehaald. Stel dat de bliksem insloeg en er brand uit zou breken!

Als de wind, de regen en het onweer eindelijk stopten, waren we opgelucht. Vader deed dan de voordeur open om de frisse regenlucht op te snuiven. Meteen gingen alle deuren van de buren ook open en werd er druk gesproken over het voorbije noodweer. De kinderen konden zich weer uitkleden en werden naar boven gedirigeerd. Soms lagen we er net weer enkele uren in en kwam er weer een nieuwe bui opzetten. Hetzelfde tafereel speelde zich opnieuw af. Vader zei dan: ‘de zee wil de bui niet hebben, het komt terug naar land’.

Brand

Op een keer ging het alarm in het dorp af. Wat een schrik! Er was ergens brand uitgebroken. Mijn vader en mijn broer trokken snel hun kleren aan, vroegen waar de brand was en gingen erop af. Alle buurmannen rondom renden of fietsten in colonne naar de onheilsplaats. Angstige uren moesten we doorstaan. Waar was de brand? De buurvrouw riep voor het raam dat er een boerderijbrand ergens buiten het dorp was ontstaan. De brandweersirene gilde door het dorp. Ook brandweerauto’s buiten het dorp of uit de stad werden opgeroepen om te assisteren. Verbrande koeienlijken waren ver in de omtrek te ruiken. Je hoorde het geloei van angstige koeien. Vreselijk was het. Vele mensen uit ons dorp hielpen mee om het voorhuis van de boerderij leeg te halen. De brand bleek door hooibroei te zijn ontstaan. Wij dachten in eerste instantie aan blikseminslag vanwege het onweer. Het was een heel triest einde van een mooie dag met zomerse hitte.