1648-heden

Stadsbezittingen in Westerwolde

'Grunnen, Stad en Ommeland,' zingen we in het Groninger volkslied. De Stad en de provincie zijn al eeuwen onlosmakelijk met elkaar verbonden, als bondgenoten of juist als concurrenten. Maar wie de boeken erop naslaat, ziet dat het onderscheid tussen Stad en Ommelanden helemaal niet zo duidelijk is. Sterker nog, tot ver in de twintigste eeuw had Groningen overal zogenaamde Stadsbezittingen, vooral in de Veenkoloniën en in Westerwolde.

Stadsbezittingen in Westerwolde

Jonge arbeiders aan het werk voor de Stad in de bossen van Ter Apel, ca. 1920-1930. – Foto: Collectie Streekhistorisch Centrum Stadskanaal

Aan het einde van de zestiende eeuw kocht Groningen grote stukken land op om er turf te winnen, de zogenaamde Veenkoloniën. Die gebieden waren rechtstreeks eigendom van de stad en nadat het veen (de turf) was ontgonnen, verhuurde de Stad de gronden voor de landbouw. De Stad mocht de huur niet opzeggen of verhogen, maar bleef wel eigenaar. Ook buiten de Veenkoloniën verwierf de Stad eigendommen; bijvoorbeeld landbouwgronden van voormalige kloosters.

Interessant gebied

In 1619 kwam de Stad in het bezit van Westerwolde, dat ze in het geheim kocht, 'omme bij die van Vrieslandt ende dander Provincien niet te mogen geraken in ialousie'. Westerwolde was in drie opzichten een interessant gebied voor Groningen. Het was arm en moeilijk te bereiken vanuit de Stad, maar het was een goede buffer tegen aanvallen vanuit het oosten. Bovendien kon de Stad vanuit Westerwolde beter aanspraak maken op inpolderingen en droogvallende gebieden in de Dollard. En als belangrijkste factor: Groningen was met de aankoop van Westerwolde definitief hoofdrolspeler geworden in de vervening van de provincie.

Het klooster van Ter Apel en de 1800 hectare land die daarbij hoorde, waren bij de koop van Westerwolde inbegrepen. De Stad verbouwde het bak- en brouwhuis van het klooster tot een woning voor de commandeur, die van daaruit het gebied beheerde, belastingen inde en doorgaande weg moest bewaken 'om de stroopende partien unde Bedelars 't loopen te beletten.' Ook mocht hij maaltijden en logies aanbieden aan reizigers. In de woning, vandaag de dag Hotel Boschhuis, was een zogenaamde commandeurskamer ingericht. Deze moest altijd vrijgehouden worden voor de wethouder Stadsbezittingen.

Kloosterbos

De commandeur had ook het kloosterbos onder zijn hoede dat hout produceerde, maar tegelijk 'plaisant en heerlijck' was voor de Groningse regenten om er te verpozen. De reis naar Westerwolde was in die tijd lang, maar het verblijf in het voormalige klooster was zeer de moeite waard. Dat is vermoedelijk ook een van de redenen waarom het kloostercomplex grotendeels intact is gebleven.

Westerwolde kostte Groningen lang meer geld dan het opbracht. De Stad bekostigde het onderhoud van kerk, pastorie en school en inde niet veel meer dan pachtgelden. In de negentiende eeuw werd het veen deels ontgonnen, maar dat bracht lang niet zo veel op als in de andere Veenkoloniën, vooral omdat er nog geen goede verbinding was met Groningen. Pas toen het Stadskanaal Ter Apel bereikte in 1856, kon de Stad kavels veen verpachten en sluis-, brug- en tolgelden gaan innen en werd de zuidoostelijke Stadsbezitting eindelijk winstgevend. Tussen 1860 en 1890 groeide het aantal inwoners van Ter Apel van 119 naar 466. Toen de Stad tijdens de Eerste Wereldoorlog een aantal Ter Apeler boerderijen rechtstreeks begon te beheren, liepen de winsten nog verder op.

Dekolonisatie

In de twintigste eeuw werden de Stadsbezittingen steeds meer een blok aan het been voor Groningen. Het kostte nogal wat om veertig kilometer weg, zeventig kilometer kanaal, achttien sluizen, zeventig bruggen en bruggetjes en duizenden hectaren grond te onderhouden. Vandaar ook dat toenmalig burgemeester Tuin van Groningen in zijn nieuwjaarstoespraak van 1955 hardop droomde over het afstoten van de Stadsbezittingen. Pas vijf jaar later werd er voorzichtig begonnen aan deze monsterklus. Meestal bracht de overdracht of afkoopsom wel wat geld in het laatje, maar een enkele keer moest de Stad genoegen nemen met een symbolische prijs voor haar eigendommen. Zo ging het hele Klooster Ter Apel, inclusief het Boschhuis, in 1976 over in handen van het Rijk voor één luttele gulden. Met de verkoop verdween voor de Stad ook het recht op de commandeurskamer.

De laatste eigendommen van Groningen in Westerwolde werden aan het begin van de 21e eeuw overgedragen. Daarmee kwam een einde aan vier eeuwen Stadsbezittingen.

 

Meer lezen over Stadsbezittingen: Meindert Schroor, Stadstaat Groningen, 1999

<p>Jonge arbeiders aan het werk voor de Stad in de bossen van Ter Apel, ca. 1920-1930. &ndash; Foto: Collectie Streekhistorisch Centrum Stadskanaal</p>

Jonge arbeiders aan het werk voor de Stad in de bossen van Ter Apel, ca. 1920-1930. – Foto: Collectie Streekhistorisch Centrum Stadskanaal