500-1300

De grote veenkolonisatie in de Middeleeuwen

Het Groninger landschap heeft oude wortels maar is ook sterk aan verandering onderhevig geweest. Eén grote verandering is nauwelijks bekend, namelijk de grote kolonisatie van de tiende eeuw.

De grote veenkolonisatie in de Middeleeuwen
De ontginning van het hoogveen, waarschijnlijk in de buurt van Wildervank omstreeks 1650, geschilderd door Jacobus Sibrandi Mancadan. - Beeld via Wikimedia Commons

Het Drentse zandlandschap, ontstaan na de laatste ijstijd, stak in het zuiden bij de Hondsrug en Westerwolde uit boven een schier oneindig groot veengebied. Dit veenpakket was meters dik en het het maaiveld van het grootste deel van onze provincie lag dan ook enige meters hoger dan vandaag de dag.

Dichtbevolkt gebied

Tot dit veengebied behoorden de Groninger veenkoloniën, maar ook de vele woldgebieden, de streken met plaatsnamen eindigend op -wold. Dit hooggelegen veengebied waterde af naar zee via de kwelder. In deze kwelder waren vanaf 500 voor Christus de wierden opgericht. In de vroege middeleeuwen was dit een dichtbevolkt gebied. Tussen de zilte kwelder aan de zeekant en het veen was een brede brakwaterkwelder die vooral als weide- en hooiland werd gebruikt.

Wellicht onder invloed van een tijdelijk iets warmer klimaat, of aangestuurd door een meer centraal georganiseerd gezag, begon men eind negende eeuw, begin tiende eeuw na Christus vanaf de aangrenzende wierden en de oeverwallen van veenriviertjes, de brakwaterkwelder en het veen in te trekken. Op het veenland ontstond een succesvolle roggeteelt. Veenland was immers best te gebruiken als er maar voor een goede ontwatering werd gezorgd.

Veen bestaat echter bij de gratie van water. Het water houdt de zuurstof buiten het veen en het veen kan zodoende niet verrotten. Bij ontwatering grijpt de toegestroomde zuurstof echter zijn kans en het veen verdwijnt in een rap tempo. Daardoor klinkt de bodem in en ontstaan er problemen met de afwatering van het achterland. De eerste twee eeuwen hadden de veenbewoners hierop een eenvoudig antwoord: ze trokken verder het veen in. Het resultaat was een verkaveling in lange stroken. Dit ging goed totdat men mensen tegenkwam die vanaf een andere kant het zelfde gedaan hadden. 

Strokenverkaveling

Het resultaat van de kolonisatie is te zien op kaarten die dateren van voor de ruilverkavelingen. Vanaf het IJsselmeer tot in Ostfriesland (D) is deze strokenverkaveling te zien. Dit gebied met strokenverkaveling, ooit hoger gelegen dan de kwelders aan de zeezijde, is nu het laagst gelegen deel van Noord-Nederland. Hierin liggen ook de meren. Als antwoord op de wateroverlast ontstonden er zijlvesten die de afwatering regelden. Verder werden er nieuwe kanalen gegraven, bijvoorbeeld het Damster- en Winsumerdiep, en werden er dijken aangelegd om het water van het achterland tegen te houden of een andere kant uit te leiden.

Verveners graven een kanaal. - Tekening: Jannes Tideman, Collectie Groningen Archieven (1468-149/1)
Verveners graven een kanaal. - Tekening: Jannes Tideman, Collectie Groningen Archieven (1468-149/1)

De problemen in het ontgonnen veengebied vormden een grote uitdaging die leidde tot verbeteringen op het gebied van waterkeringstechnologie en -organisatie. Kennis die ook aan de zeezijde werd toegepast. Algemeen wordt aangenomen dat er in de elfde eeuw langs de waddenkust een gesloten dijk werd aangelegd. De zee bleef zo doorgaans buiten het land. Maar bij stormen kon het zeewater zo sterk opstuwen dat er een of meerdere dijkdoorbraken volgden. De verwoestende kracht van het binnengedrongen water werd nog verergerd door de lage ligging van het (ingeklonken) veengebied. Grote overstromingen waren het gevolg. Nieuwe dijken en inpolderingen waren het antwoord.

Slochteren

De hierboven beschreven ontwikkeling is goed te zien aan de hand van het voormalige verkavelingpatroon van Slochteren. De ontginners kwamen deels van de oeverwal van het Slochterdiepje, deels van de wierden die nu ten noorden van het Damsterdiep liggen. Het eerst ontgonnen land ligt nu het laagst. Ten oosten van Slochteren botsten de ontginners op tegen collega's die vanuit Noord- en Zuidbroek oprukten. De siepsloot vormt zo de grens van beide ontginningsblokken maar ook de grens van kerkelijke en wereldlijke rechtsgebieden. Het dorp Slochteren is door de opstrekkende verkaveling een lintdorp met als basis een zandrug die onder het veen vandaan kwam. Een zandrug die sinds de vroege bronstijd niet meer te zien was geweest. De vondst van een stenen bijl uit die tijd was een laatste groet van de mensen die daar leefden in de periode van voor de groei van het veen. 

De verdeling van het land rondom Slochteren in lange kavels. - Kaart: J.H. Jappé (detail), 1838, www.beeldbankgroningen.nl (1536-6324)
De verdeling van het land rondom Slochteren in lange kavels. - Kaart: J.H. Jappé (detail), 1838, www.beeldbankgroningen.nl (1536-6324)

De middeleeuwse strokenverkaveling in de omgeving van Slochteren is door de ruilverkaveling van de jaren zeventig van de twintigste eeuw vrijwel geheel verdwenen, maar nog te zien bij de Fraeylemaborg. De eindeloos lange tuin, aan de overzijde van de hoofdweg voortgezet in het overbos, vormen samen een zichtbaar restant van de strook grond waarover de borgheer kon beschikken. De tuin is om de zelfde reden wel heel lang maar niet erg breed.