Van Adorp tot Zuurdijk

Winterse verhalen

Was het vroeger werkelijk kouder en waren de winters echt strenger? Sneeuw valt er nog wel eens, maar aan jongere generaties moet men al uitleggen wat ijsbloemen zijn, en sneeuwhutten hebben ze nog nooit gebouwd. Vorstdagen hebben we elke winter wel, maar het is al lang geleden dat er voor het laatst een Noorder Rondrit op de schaats werd gereden. Sterker nog: de afgelopen jaren was er bar weinig natuurijs te bekennen. Herinneringen aan kou zijn er echter genoeg!

Winterse verhalen
Meisje bij een kolenkachel, 1945. - Foto: Lotgering, www.beeldbankgrnoningen.nl (2437-0124)

Schaatsen op de vijvers van het Noorderplantsoen in Groningen leek bijna elke winter mogelijk. In Scheemda vertrok zowat elke winter een Oldambtrit en op het Hoogeland reed men Noorder Rondritten. Ook op de lokale ijsbanen zwierde en zwaaide men naar hartelust: “Lange uren schaatsten we op de ijsbaan. Soms werd je geduwd door een jongen die je wel leuk vond en graag verkering met je wilde hebben.” Pia Duisterwinkel herinnert het zich levendig. “Iedere middag en avond na schooltijd of het werk waren we op het ijs te vinden. De houtjes onder gedaan en dan die koude ingevette leren veters aangesnoerd, je handen werden blauw van de kou.”

Natuurijs

Maar toch: wie de boeken ernaast legt, ziet dat die grote Groninger schaatstochten, een graadmeter voor een strenge winter, ook vroeger niet elk jaar werden verreden. De Noorder Rondrit, voor het eerst verreden in 1940, kent 'slechts' elf edities. Voordat alle kanalen langs de ongeveer 150 kilometer lange route voldoende zijn dichtgevroren, moet het dan ook flink gevroren hebben. Voor een Oldambtrit is een kleinere hoeveelheid goed ijs nodig en deze is dan ook vaker gereden. Tussen de edities van deze natuurijsklassieker zat steeds maximaal vijf jaar, behalve de laatste keer. Na 1987 was er nog een Oldambtrit in 1997, toen ook de Elfstedentocht werd verreden, maar sindsdien: niets meer.

In de strenge winter van 1963, toen Kunny Luchtenberg een jaar of veertien was, wilde ze de Oldambtrit rijden. “Mor nait allain, want dat vertraauwden mien ollu nait.” Haar vader moest mee en deze nam een eindje touw mee, zodat hij Kunny kon voorttrekken als ze moe zou worden. Maar vader was zijn eigen conditie vergeten: “Hai docht er nait aan, dat t veur hom tien joar leden was dat e op scheuvels stoan haar.”

Baanvegers en schaatsenrijders op het Lindt in Aduard - Foto P. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (818-133)
Baanvegers en schaatsenrijders op het Lindt in Aduard - Foto P. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (818-133)

Sneeuw

IJspret is mooi, maar ook met sneeuw kunnen kinderen veel plezier hebben. Sleeën hoort natuurlijk bij het buitenspelen in de winter, maar ook sneeuwhutten bouwen, sneeuwballengevechten houden tegen de kinderen van andere straten of gewoon een mooie sneeuwpop maken. Daar is geen jaartal op te plakken; zodra er sneeuw ligt, moeten kinderen naar buiten. Marjan Heddes herinnert zich de opgetogenheid die ze voelde bij het wakker worden en zien van een dik pak sneeuw. “Ik ren de lange gang door naar de warmte van de kamer. Daar heeft mijn moeder de speciale stukken oud fluwelen gordijn voor de onderste helft van de ramen gespannen tegen de tocht en de kou. Dat is voor mij het echte teken dat de winter met al zijn heerlijkheden begonnen is.”

Winterweer mag dan leuk zijn voor kinderen, voor degenen die aan het werk zijn is het vaak een last. Voor huismoeders was het vroeger bijna onmogelijk om de was droog te krijgen. Straatventers gingen door weer en wind en hoopten hier en daar even bij iemand naar binnen te mogen om zich toch een beetje te kunnen warmen. Meneer Moorlag herinnert zich een arme handelaar die op een barre dag door hun straat schuifelt: “De koopman is klein. Hij duwt zijn wankele handkar voort met de ligger vlak voor zijn neus, de blauwe handen om het rondhout gekromd. Zo kan hij net over de rand van de kar kijken. Onder de te grote pet met vettige klep steekt een rimpelig bleek gezicht en sliertige grijze haren wapperen in de tegenwind. “

Landarbeiders

In de winter lag het werk voor landarbeiders stil; wat betekende dat er ook nauwelijks inkomsten waren. Margriet Dijk van Openluchtmuseum Het Hoogeland vertelt over de omstandigheden in de negentiende eeuw: “Dagloners probeerden in die tijd dan iets bij te verdienen door het repelen van vlas of het verbrijzelen van keien. Maar meestal zorgden de vrouwen ervoor dat een gezin de winter doorkwam. Zij verrichtten tegen een kleine betaling thuis handenarbeid als spinnen, breien, weven, naaien of het verstellen van kleren. Ook wasten zij vaak de kleding van de meer gegoede families. Maar deze verdiensten waren vaak niet genoeg.”

Grote hoeveelheden sneeuw in de winter van 1979.
Grote hoeveelheden sneeuw in de winter van 1979.

Blijven werken

Soms vroor het zo hard, dat de scheepvaart hinder ondervond van het ijs. In de winter van 1979 raakten verschillende dorpen ingesneeuwd en stond het leven zo'n beetje stil, maar de mensen moesten wel eten. Bakker Olinga uit Bierum ging aan de slag voor de bewoners van Godlinze. “Na zo’n drie dagen kwam er een telefoontje uit Godlinze, twee dorpen van ons af. ‘Hebben jullie nog meel en gist en kunnen jullie voor ons in Godlinze wel brood bakken?’ En die toon klonk zo paniekerig, alsof Godlinze al aan de rand van de hongerdood stond. De auto van broodfabriek Eemsdam al in geen drie dagen brood had gebracht bij hun enige winkel annex melkboer.”

Kleding

Op sneeuw, ijs en winterkou moest je je goed kleden. Een pak kranten onder de trui hield de ergste wind tegen bij het schaatsen, en verder waren er lange onderbroeken, gebreide borstrokken, binnenzooltjes en klompen; soms heel comfortabel, soms heel onprettig, maar in elk geval water- en winddicht. Pia Duisterwinkel: “Iedere winter liep je dan op die klompen en moest dat vreselijke roze gebreide ‘lijfje’ weer aan met dat knopenelastiek aan weerszijden. Dikke bruine kousen met knopen erop waaraan de jarretels werden bevestigd. Geen gezicht, hoe konden ze het bedenken. Verder hadden we een onderbroek met elastiek in de pijpen erover. Over de bruine kousen werden een paar warme sokken aangetrokken en daarover werden de leren zooltjes aangetrokken. Als je naar buiten ging, deed je klompen en wollen wanten aan tegen de kou en dikke gebreide mutsen op; zo kwamen we de winter wel door.”

Isolatie

Huizen waren vroeger een stuk minder goed geïsoleerd dan nu. Kieren in de kozijnen en enkel glas werden bestreden met zware lappen, soms in kaarsvet gedrenkt om ze winddicht te maken. Eten koken verwarmde het huis ook, maar ook dat was soms een opgave. “Bij ons stond de gasfles in de kelder en daar was het vaak ijzig koud,” vertelt Pia Duisterwinkel. “Als het gas zo koud was, wilde het gasstel niet branden en werd het eten niet gaar. Dat was een ramp, want vader wilde om twaalf uur eten. Ik zie mijn moeder nog aan die gasfles rammelen, om het vuur harder te laten branden. Soms werd er een deken op de gasfles gelegd, vanwege de kou. Vaak werd er een petroleumstelletje naast gezet, om de boel te verwarmen.” 

Sneeuw in de Groninger binnenstad, jaren vijftig. - Foto: familie Heddes
Sneeuw in de Groninger binnenstad, jaren vijftig. - Foto: familie Heddes

Slapen in een onverwarmde kamer was de gewoonste zaak van de wereld, en wakker worden met ijspegels aan de dekens en ijsbloemen op de ramen ook. A.J. Wolters: “Mijn vader gebruikte dan tochtstrippen, oude gordijnen en jutezakken in de hoeken en gaten om ze dicht te stoppen. ‘s Avonds kreeg je een warme kruik mee naar bed. Maar ‘s morgens zaten de dekens vastgevroren aan de kanten van het bed en naar buiten kijken kon je niet. Prachtige ijsbloemen en -veren had de vorst op de ramen getoverd. Met je warme adem kon je een klein gaatje maken om de winterse wereld te bezien.” 

Koude douche

Kinderen gingen eens per week in de tobbe en in de winter mocht die in de woonkamer bij de kachel staan, zodat baden niet meteen een verkoudheid opleverde. Onverwarmde vertrekken kwamen tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw nog voor. De provisorische douche van Jos Rietveld in haar flat in Groningen had geen afvoer en dus moest de balkondeur openstaan tijdens het douchen. “Hetgeen geen bezwaar is in zomertijd. In de winter wordt er echter aanmerkelijk minder van de douche gebruik gemaakt; de keuken is immers onverwarmd en de oostenwind kan gemeen nèt die hoek van 45 graden besnerpen.”

Kachel

In de keuken of woonkamer stond een kolenkachel. De steenkolenboer leverde verschillende brandstoffen. Eierkolen waren de goedkoopste soort; geperste bollen steenkolengruis, zo groot als een ei. Antraciet was het duurst en verkrijgbaar in verschillende maten: nootjes één, twee, die en vier. “In de winter werd bij ons in de voorkamer altijd met antraciet ‘nootjes vier’ gestookt,” vertelt Wolter Slik uit Winschoten. “Het was de beste brandstof die er te krijgen was omdat er weinig as en slakken overbleven na de verbranding. In verhouding had je minder brandstof nodig dan met het stoken van eierkolen. Antraciet was de ideale brandstof voor de vulkachel. Deze kachel kon het hele winterseizoen continu aan omdat de verbranding nauwkeurig geregeld kon worden. “

Goede kwaliteit kolen gaven bij de verbranding weinig 'slakken' (klonten residu). Maar die resten en de as kon je bij glad weer goed gebruiken in plaats van strooizout.

M. Krooshof: “De kolen kwamen in een afgeschut deel van de stookkelder. In het portiek was een schuurtje onder de trap met een luik in de grond. De kolensjouwers konden hierin hun mud kolen storten. De lege zakken werden opgestapeld in het portiek neergelegd. Zo kon mijn vader controleren of hij inderdaad het bestelde aantal mudzakken had gekregen. Het gaf enorm veel vieze stof. Mijn moeder plande het dan ook altijd precies zo in dat onze werkster er direct na kwam.”

Klimaatverandering?

Is het echt zo dat winters zachter en milder zijn dan pakweg veertig jaar geleden? In elk geval zijn de voorzieningen en manieren om de kou te bestrijden een stuk efficiënter geworden. De verhalen over winterse ontberingen in een bevroren bed zijn voor veel mensen voorgoed verleden tijd.