Van Adorp tot Zuurdijk

1815-1945

t Venhoes: Dagloners op het Hoogeland

Rond 1800 woonde het echtpaar Eisse Geerts Veldman en Pieterke Hendriks Groendijk en hun vier kinderen Anje, Geert, Jantje en Klaas in een klein arbeidershuisje aan wat nu de Oosterstraat in Warffum is. Zowel Eisse als Pieterke werkten als dagloner in de landbouw.

t Venhoes: Dagloners op het Hoogeland
Daglonershuisje 't Venhoes' in Openluchtmuseum Het Hoogeland

Een dagloner of losarbeider is een persoon die per dag betaald wordt. Deze arbeiders hebben geen vaste betrekking, maar werken per klus of tijdelijke opdracht. Dagloners in de landbouw verrichten vaak seizoensarbeid. Het huisje van Eisse en Pieterke bestond slechts uit één kamer. In deze ene kamer werd gekookt, gegeten, gewerkt en geslapen. Voor het huisje stond een schuurtje, waarin men soms wat kleinvee hield als kippen, een geit en in een enkel geval, als men meer te besteden had, een koe of een varken. Ook werd in de schuur de oogst van de tuin opgeslagen. De opbrengst van het bij het huisje behorende lapje grond was vaak van essentieel belang voor een gezin om zo de werkloze wintermaanden door te komen. 

Schrijven

In 1854 sterft Pieterke, nadat haar man dertig jaar daarvoor was overleden. Het huisje, de schuur en het lapje grond worden verkocht aan Jan Gerrits Wierts en Hiske Meints. In deze “behuizinge geteekend numero 52b, met de beklemming van diens erf, tuin en appelhof” brengen de beide echtelieden hun twee dochters Elizabeth en Hilje groot. Ook Jan, zoon van een keuterboer uit Breede, en Hiske, afkomstig uit Westernieland, zijn dagloners, zoals zo vele bewoners van deze regio in de 19e eeuw. Opmerkelijk voor dit echtpaar is echter dat niet de man, maar zijn vrouw kan schrijven. Aktes worden dan ook door Hiske ondertekend, terwijl Jan een kruisje zet. 

Landarbeiders

Van een bevolking van gemiddeld 40.000 op het Hoogeland was meer dan de helft direct of indirect betrokken bij de landbouw. In de eerste helft van de 19e eeuw groeide het aantal landarbeiders met maar liefst 50%. Van maart tot en met november trokken de arbeiders vanuit de dorpen naar de boerderijen. Per boerderij waren er soms wel dertig dagloners aan het werk. In drukke tijden gingen ook veel vrouwen en kinderen mee naar het land. Zij werden vaak in koppelarbeid aangenomen. Dit betekende dat zij per groep via een koppelbaas aan een boer werden uitgeleend. Vrouwen en kinderen verdienden doorgaans veel minder dan de mannen, alhoewel het werk minstens even zwaar was. Jan en Hiskes jongste dochter Elizabeth sterft al op 10-jarige leeftijd in 1862. Nog geen tien jaar daarna sterft ook Hiske zelf. Jan en dochter Hilje blijven met hun tweetjes in het kleine huisje wonen. In 1874 trouwt Hilje met Evert Venhuizen.

Verhuur

Met zijn moeder, Jantje Tammes Stijfhoorn, trekt Evert bij zijn vrouw en schoonvader in. Hilje en Everts eerste kind, Jan, wordt geboren in 1875, maar sterft ruim twee jaar later. In het jaar daarop wordt Jannette geboren en zes jaar later, in 1885, Jantje. Evert en Hilje kopen in 1881 het huisje naast hun (schoon)vader, maar gaan hier niet wonen. Ze verhuren het om zo extra inkomsten te hebben. Uit een exploot van een deurwaarder blijkt dat vader Jan Wierts ook een deel van zijn eigen huis verhuurde aan de tuinman Schelto Brouwer en zijn vrouw Martje. Het lijkt onlogisch dat dit de eenkamerwoning is, waarin Jan zelf met zijn dochter, schoonzoon, diens moeder en zijn kleindochters woont. Maar wellicht is het huisje ooit een dubbele woning geweest en heeft Jan dit aangekocht om te verhuren. 

Dagloner

Net als de vorige bewoners van het huisje werken ook Evert en Hilje als dagloners. Als dagloner verdiende je meestal iets meer dan een vaste landarbeider of boerenknecht. Daar tegenover stond wel dat je als losse arbeider geen emolumenten kreeg, zoals gratis inwoning op de boerderij of het gebruik van een arbeiderswoning nabij de boerderij tegen een lage huur,  dagelijkse maaltijden, overgebleven wol van schapen, stro en gras van walkanten, gratis melk of melk tegen een gereduceerde prijs, achtergebleven aren en een stukje wei- of aardappelland voor eigen gebruik. En natuurlijk had een dagloner niet altijd de garantie dat er werk was. 

Winter

 In de wintermaanden viel er zo nauwelijks iets te verdienen. Dagloners probeerden in die tijd dan iets bij te verdienen door het repelen van vlas of het verbrijzelen van keien. Maar meestal zorgden de vrouwen ervoor dat een gezin de winter doorkwam. Zij verrichtten tegen een kleine betaling thuis handenarbeid als spinnen, breien, weven, naaien of het verstellen van kleren. Ook wasten zij vaak de kleding van de meer gegoede families. Maar deze verdiensten waren vaak niet genoeg. Om toch de winter door te komen leefde men van het ingemaakte en gedroogde voedsel, dat in de eigen tuintjes verbouwd was. Voor melk, boter en kaas was men afhankelijk van de ‘arbeiderskoe’ oftewel de geit. Voor de zuivelbereiding gebruikte men aardewerkkommen en een karn, vaak een houten ton of Keulse pot met een houten stok. Deze stok werd pols genoemd. De groente en het fruit uit de tuin werd kort gekookt in pannen die aan een verstelbare zaaghaal in de schouw hingen. Vervolgens werd het voedsel ingemaakt en in weckflessen bewaard. Peulvruchten werden op jutezakken gedroogd of aan draden geregen. Als men een eigen varken had, werd deze voor de winter geslacht. Worsten en hammen werden gerookt en aan rekken aan de zolder gehangen.  Als de winter voorbij was ging men meestal weer opgelucht aan het werk, omdat men dan weer verzekerd was van een inkomen en men inmiddels ook door de wintervoorraad heen was.

Prestatieloon

De vaste arbeiders van de boer werkten meestal als een soort voorman voor de dagloners. Ze bepaalden welke werkzaamheden er moesten gebeuren op het land. Als dagloner kwam je eigenlijk nauwelijks op het erf van de boer, want de vaste arbeiders waren belast met de verzorging en het gebruik van het vee en zorgden voor de landbouwmachines en het gereedschap. Zo was het mennen van het vee en het hanteren van de eggen en ploegen dan ook exclusief toebedeeld aan deze arbeiders. Dagloners werd gevraagd om te poten, te zaaien, te wieden, te maaien, te zichten en te rooien. Ook het graven en uitbaggeren van sloten en het leggen van draineerbuizen werd vaak door dagloners gedaan. In drukke tijden werden losse arbeiders niet uitbetaald in tijdloon, maar in prestatieloon, dus hoe meer bieten of aardappelen men rooide of hoe meer aren men zichtte des te groter de verdiensten. De druk op de dagloners en de onderlinge competitie was hierdoor bijzonder groot. 

Vrouwen en kinderen

In het hoogseizoen namen manlijke dagloners daarom ook vaak hun vrouwen en kinderen mee, als deze al niet in koppelarbeid werkten. Vrouwen en kinderen verdienden nauwelijks iets, maar hun productie werd opgeteld bij die van de man en zo werd het gezinsinkomen verhoogd. Typische vrouwenklussen waren het poten van jonge plantjes, het ‘houken’ (het voorzichtig wieden tussen de planten), het stenen zoeken (zodat deze niet in de landbouwapparaten terechtkwamen) en het ‘bikken’ (het binden en hokken van graanschoven). Daarnaast zorgden ze bij thuiskomst natuurlijk ook nog voor het huishouden, de kinderen, de eigen tuin en molken ze de geit. Kinderen assisteerden vaak bij het wieden en poten of zochten naar achtergebleven aren, aardappels of bieten. Ook pasten de vaak oudere meisjes van het gezin thuis op hun jongere broertjes en zusjes. De werkdagen van de dagloners waren lang. In de hoogzomer begon men al bij het krieken van de dag om 4 of 5 uur. Rond het middaguur had men anderhalf uur pauze, waarna men naar huis liep om daar te eten of als dit te ver weg was at men meestal het meegebrachte voedsel op het land. Na het middageten werkte men tot ongeveer 6 of 7 uur ’s avonds door.

Groter huis

Eind 19e eeuw lijken voor het echtpaar Venhuizen betere economische tijden aan te breken. In 1888 kopen ze het huis van hun (schoon)vader en in 1896 wordt de schuur voor hun huisje afgebroken en vervangen door een nieuw, groter voorhuis met meerdere kamers. Het oude huisje wordt daarna de schuur. Nadat moeder Venhuizen al in 1881 is overleden en vader Jan Wierts in 1902, overlijdt Evert en Hiljes dochter Jannette in 1905. Zij is nooit gehuwd geweest en woonde nog altijd thuis, evenals haar zus Jantje. Evert sterft in 1911. Jantje werkt als ‘arbeidster’ en in 1907 heeft zij een betrekking in Usquert. In 1920 keert ze terug naar Warffum en haar moeder.  Na de dood van Hilje in 1937 leidt Jantje een zeer teruggetrokken bestaan. Omdat ze nauwelijks gezien wordt en zeer zuinig leeft, circuleren in Warffum al gauw geruchten dat Jantje het huis niet uit durft omdat ze bang is dat al haar spaargeld dan gestolen zou worden.

Spaargeld?

 In 1969 overlijdt Jantje op 84-jarige leeftijd. Het duurt nog een aantal dagen voor haar lijk ontdekt wordt. Onder de kop “Mensenschuw vrouwtje zou rijk geweest zijn” wordt in het Nieuwsblad voor de Eemsmond gemeld:

“In de bitter koude dagen voor de jaarwisseling van het vorig jaar is zij in alle eenzaamheid gestorven. Enkele dagen achtereen had de bakker al geen teken van leven meer bespeurd bij het huisje. Het vermoeden rees dat er wel eens iets aan de hand kon zijn. De politie werd dan ook gewaarschuwd en nadat in het bijzijn van enige verre verwanten de achterdeur was opengebroken, vond men de 84-jarige vrouw dood liggend in haar bed, gehuld in lompen. Binnen haar bereik enige spiksplinternieuwe schorten en andere nog geprijsde kledingstukken.”

Venhoes

Als het huis uiteindelijk gekocht wordt door Openluchtmuseum het Hoogeland worden medewerkers er door dorpsbewoners op gewezen, dat er zich onder de vloer een grote schat moet bevinden. Een schat wordt echter nooit gevonden, maar het mysterie rond de ‘rijkste bewoonster van Warffum’ blijft in de verhalen voortleven. Ter ere van haar, Jantje Venhuizen, de laatste bewoonster, bij leven arme arbeidster, bij dood ‘steenrijke’ vrouw, is het museumpand daarom ook ‘Venhoes’ genoemd. Het museale gedeelte van het huis betreft de schuur die ooit de éénkamerwoning is geweest.  Deze is weer teruggebracht in haar oorspronkelijke vroeg 19e eeuwse staat. De inrichting geeft de bezoekers een goed beeld van hoe dagloners op het Groninger platteland geleefd hebben.