Van Adorp tot Zuurdijk

1945-1989

Waar zijn de koude winters van vroeger gebleven?

Wat kon het vroeger ijzig koud zijn, zowel buiten als in huis. Ik ben geboren in een gezin van 6 kinderen; 5 meisjes en 1 jongen. Mijn ouders waren altijd druk in de weer om voor ons te zorgen en daar hadden ze een hele klus aan. Vader had een timmerbedrijf aan de Bloemstraat in Aduard. Hij werkte hard voor zijn gezin om brood op de plank te krijgen. Daarnaast was hij kerkorganist en begeleidde jarenlang de samenzang in de gereformeerde kerk van Aduard. Moeder deed het huishouden en zorgde voor de kinderen, waar ze een volle dagtaak aan had.

Vroeger hadden we nog geen verwarming, zoals de meeste mensen tegenwoordig hebben.‘s Morgensvroeg als we uit bed kwamen, moesten de kachels ‘aangestoken’ worden. Eerst met wat kranten met een beetje petroleum erop en wat houtjes erbij. Als dat wat begon te branden, kwamen er briketten op. Later werden dat eierkolen of ‘nootjes vier’. Het werd langzamerhand lekker warm in de kamer, maar het vertrek was ook vaak gevuld met rook. We gebruikten de keukenkachel om water te koken. We lieten de ketel een eind in de kookkachel zakken tot vlak boven het vuur. Zo werd het water warm. Als er melk gekookt werd, was het oppassen geblazen, want als het overkookte, waren de rapen gaar. Je kon dan al die ringen opnieuw poetsen met kachelpoets. De overgekookte melk was er bijna niet af te krijgen.

Koud gas

Moeder kookte het eten eerst ook op de kachel, maar later kreeg ze een tweepits gasstel en werd een fles gas gehaald bij ‘bode’ Wegter. Bij ons stond de gasfles in de kelder en daar was het vaak ijzig koud. Als het gas zo koud was, wilde het gasstel niet branden en werd het eten niet gaar. Dat was een ramp, want vader wilde om twaalf uur eten. Ik zie mijn moeder nog aan die gasfles rammelen, om het vuur harder te laten branden. Soms werd er een deken op de gasfles gelegd, vanwege de kou. Vaak werd er een petroleumstelletje naast gezet, om de boel te verwarmen. Wat een wanhoop, als het zo vroor.

Bevroren wc

Soms bevroor de WC. Dat was eerst een houten ‘plee’, of zoals ze dat noemden, een ‘huuske’ met een emmer. Het was heel vervelend als die vanwege de vorst niet geleegd kon worden. Bovendien hadden we in die tijd geen closetpapier zoals nu het geval is. We moesten ons behelpen met krantenpapier of een gescheurde radiobode. Later kregen we een watercloset. Dit was een enorme verbetering, maar ook met dit toilet kregen we problemen als het vroor. We konden de boel dan niet doorspoelen, vanwege het bevriezen van de buizen. Er was immers geen verwarming in die vertrekken. Daar werd ook maar een petroleumstelletje bij geplaatst. Ik zie mijn vader nog bezig in dat keldertje, waar de waterleiding zat. Hij stookte er wel eens een vuurtje in om de bevroren leiding te ontdooien. Levensgevaarlijk natuurlijk, maar ja, de boel moest toch ontdooid worden.

Iglo

De winter bracht niet alleen problemen met zich mee. Wij, als kinderen, vonden het prachtig als het sneeuwde. We stonden 's avonds voor het raam te kijken naar die grote sneeuwvlokken die door de lucht dwarrelden. Door de verlichting van de lantaarnpaal, die voor ons huis stond, kon je alles goed zien buiten. Er viel meestal een heel dik pak sneeuw en de volgende morgen waren we vroeg uit de veren en snel in de kleren om een sneeuwpop of iglo te maken. Mijn broer Reinie maakte een iglo met een houten deurtje ervoor waar kieren inzaten voor lichtinval. Het was daar lekker warm binnen en wij zaten dan op een kleed en aten ons brood in de iglo. Ieder die langskwam, nam een kijkje bij ons daarbinnen en wij waren erg trots op ons sneeuwhuisje. Reinie was een harde werker en stond vooraan om iets dergelijks te maken.

Kruiken

In de winter waren onze bedden erg koud. Mijn jongere zusjes Dineke en Marietje gingen eerder naar bed dan Reinie, Froukje en ik. Zij hadden ieder een kruik mee in bed. Als wij dan een uur later naar bed gingen, moesten we de kruiken uit hun bed halen om ons aan die, enigszins afgekoelde kruiken, te kunnen warmen. ‘s Morgensvroeg namen we die lauwe kruiken mee naar beneden en gingen ons in dat lauwe water nog wassen. Wat kon het koud zijn! Als we 's morgens wakker werden, zat er door onze adem ijsafzetting aan het voeteneind, bovenop de dekens en aan de plafonds. Ik weet nog goed dat moeder ’s avonds, als ze boven kwam om ons onder te stoppen, extra doorgestikte dekens over ons bed uitspreidde. Soms legde ze er dikke winterjassen over, zodat we goed warm konden worden.

IJsbloemen

Als we wakker werden, zagen we van die prachtige bloemafzettingen op de slaapkamerramen. Al een wonder op zich. Je kon er niet doorkijken terwijl je zo graag wilde zien of ersneeuw lag. Dan drukte je de tong tegen het raam, maar die warme tong bleef vastzitten aan het bevroren raam. Au, dat deed pijn, vooral als je je tong er weer af wilde trekken, had je een gevoel of er een ‘lapje vlees’ bleef hangen. Met onze adem maakten we dan een ‘kijkgaatje’ waardoor je naar buiten kon kijken. We waren niet te houden als er een dikke ‘bult’ sneeuwlag. Prachtig was dat, die ongerepte sneeuw. Immers, vroeger waren er nog weinig auto's die door de straat kwamen rijden. Het was wel moeilijk om door de sneeuw te komen voor melkboer Stienstra. Bovendien bevroren de melkproducten in de melkbus en de flessen. Ik zie het nog voor me.

Ebels levertraan

En oh... als ik nog denk aan die lepel smerige, allervreselijkste Ebels levertraan, bah bah, wat vies was dat! Niet te drinken, dat spul! We kregen een pepermunt of snoepje na en zo ging je de nacht in.