1945-1989

Op drift - Migratieverhalen: 'Ze woonden in een kippenhok'

Theo de Groot en Arnold Veeman spelen in oktober en november 2018 de docuvoorstelling 'Op drift', met als onderwerp de migratiegeschiedenis van Groningen en de Groningers. Theo vertelt verhalen over zijn tante Ria in Kalamazoo in Michigan, die als tiener met haar ouders emigreerde, terwijl haar oudere zus, Theo's moeder, in Delfzijl achterbleef. Arnold Veeman verzorgt de muziek, én commentaar op Theo's verhalen.

Op drift - Migratieverhalen: 'Ze woonden in een kippenhok'

Kalamazoo, Michigan, in de jaren vijfitg. Veel Groningers vonden hier hun nieuwe thuisland. - Ansicht: Migenweb

Na afloop van elke voorstelling is er een verhalencafé met hetzelfde thema: migratie. Daar kunnen mensen uit het publiek vertellen wat zij zelf of hun familieleden hebben meegemaakt. Op 21 oktober vertelden mensen in Theater 't Kielzog in Hoogezand de onderstaande verhalen. Emigratie bood hoop en verwachtingen, die soms ruw de kop ingedrukt werden. Maar teruggaan bleek geen optie.

De ruimte gezocht

Ineke en Lex van der Gaag (1948 en 1946) wonen in Overschild. Ze willen verhuizen, vooral nu bekend is geworden dat het hele dorp op de schop gaat vanwege de aardbevingsproblematiek. 'We willen terug naar de Stad, de kinderen wonen daar.'
De Van der Gaags vertrokken bijna vijftig jaar geleden uit Den Haag. 'Wij zijn van de geboortegolfgeneratie, de babyboomers, en we konden geen huis krijgen. Er was geen ruimte, wachtlijsten liepen op tot tien jaar.'
Ineke: 'Toen zijn we naar Lelystad verhuisd. Dat was een soort pionieren, het was een mooie tijd.'
Lex: 'Later werd het minder. De ontwikkelingen gingen daar te snel.'
Het echtpaar verhuisde naar Groningen, waar het tien jaar in Oosterhoogebrug woonde. Toen kwam Overschild in beeld, waar Lex en Ineke nu dertig jaar wonen. 'We vonden de combinatie van werken in de Stad en wonen op het platteland ideaal. Op je werk heb je de sfeer van de Stad, thuis vind je rust.'
Maar Overschild gaat in de komende jaren drastisch veranderen. De plannen beschrijven een bijna compleet nieuw dorp. Ineke: 'Veel Schildjers doen mee, maar ik weet niet hoe vrijwillig. Je wordt min of meer gedwongen mee te doen. We zien het om ons heen: mensen worden gepiepeld, dom gehouden door de NAM en projectmanagers.'
Lex: 'We willen terug naar de Stad, naar Lewenborg het liefst. De mensen die in Overschild blijven, zijn jonger dan wij. Als ze mij deze plannen twintig jaar geleden hadden laten zien, was ik ook gebleven. Maar nu heb ik geen zin in die onzekerheid en heisa, dus ik ga. Wel wil ik molenaar in Overschild blijven, dat doe ik al jaren. Maar dan kom ik gewoon uit de Stad om te draaien.'

'De verkeerde taal'

'Mijn moeder kwam uit een gezin van twaalf kinderen,' vertelt Wilma Kloosterman (1954). Vier van de twaalf zijn geëmigreerd, de oudste broer ging net als Theo's familie naar Kalamazoo. Toen moest mijn moeder nog geboren worden, dus zij en haar broer hebben elkaar nooit gezien. Ze schreven elkaar wel en toen ik jong was, kregen we vaak kledingpakketten. In de Verenigde Staten hadden ze nog steeds het idee dat het hier armoede troef was. Mijn moeder vermaakte die kleren en wij droegen ze gewoon, al zagen we er daardoor wel anders uit dan de andere kinderen.'

'Mijn vader kwam uit Zevenhuizen in het Westerkwartier, maar ik ben geboren in Nijverdal. Op mijn zesde verhuisden we naar Amersfoort. De kinderen daar lachten me uit omdat ik met een Overijssels accent sprak. Toen ik tien was, verhuisden we naar Twente en daar vonden ze mijn Amersfoortse tongval weer raar. 'Je spreekt de verkeerde taal!' zeiden ze. Mijn ouders hebben me nooit Gronings geleerd en ik spreek het dan ook niet, maar versta het wel. Ik woon nu ongeveer 22 jaar in Groningen en voel me heel erg thuis in Stad en Ommelanden. Ik heb de omgekeerde weg van mijn ouders afgelegd. Zij wonen nog in Twente en hebben geen verlangen naar het Noorden. Maar ik voel mij hier op mijn gemak.'

Conservatief

Gé Rusthoven-Oosterhuis (1932) ging in 1972 op bezoek bij haar twee zussen die een ruime tien jaar eerder naar Kalamazoo, Michigan waren geëmigreerd. 'We gingen een paar dagen op reis en een van de dagen maakten we een dagtocht naar Mackinac Island, waar we met paard en wagen rondreden. Het waren prachtige dieren. Ik praatte met mijn zwager over die paarden en vroeg: 'Woar worden die peerden fokt?' Mijn zwager riep geschrokken: 'Sst!' en wilde er niet over praten. Maar ik bleef maar herhalen, want ik sprak geen woord Engels: 'Woar worden die beesten fokt?' Later legde iemand mij uit wat de gevoeligheden zijn met het woord fokken. Haha, zoiets vergeet je nooit weer!'

'Mijn zussen Stijn (1933) en Wil (1935) emigreerden in 1959. De ene echtgenoot was tuinder en de ander werkte in de metaal. Beide zwagers kwamen uit Bedum. Bij de tuinder was veel ellende thuis en eigenlijk is hij uit nood gevlucht naar een oom in Kalamazoo die ook een tuinderij had. De zwagers konden eigenlijk niet goed met elkaar opschieten, maar in Kalamazoo kwamen ze elke week bij elkaar. Ook mijn beide zussen waren eigenlijk heel erg tegengesteld van karakter, maar er ging daar geen dag voorbij of ze haalden samen herinneringen op. 'Weet jij nog iets?' zeiden ze dan.'
'Ik heb altijd veel contact gehouden met mijn zussen. In het begin keken we enorm op tegen de Amerikaanse levensstijl. Ze hadden twee auto's en mijn zus schreef over haar nieuwe magnetron: 'We hebben nou toch een instrument: ik zet er een glas melk in en binnen één minuut is het heet!' Dat ontzag is wel verdwenen. Ze zijn zoveel conservatiever daar. Ik ben ook kerkelijk, maar bij ons was het de gewoonte dat je naar een trouwerij in de kerk drank meenam. Toen we dat daar in 1972 ook wilden doen, vonden ze dat goddeloos. Mijn man heeft daar speciaal een stropdas omgedaan, die droeg hij hier allang niet meer. Onze zoons gingen van te voren naar de kapper en kregen nieuwe kleren, want die gebleekte spijkerbroeken en lange haren vonden ze daar maar niets.'
Een andere bezoeker haakt in: 'Je moet je voorstellen dat je bij je vertrek al zoveel hebt achtergelaten. Het is wel logisch dat de mensen dan aan rituelen blijven vasthouden.'

Gé Rusthoven: 'Een van mijn Amerikaanse zussen is nu overleden. Nu heeft de andere heimwee. We mailen en skypen vaak en in april komt ze weer op bezoek. Over politiek praten we niet: ze stemt op Trump, want die is rechts en gebruikt af en toe het woord 'God'. Maar we halen herinneringen op aan vroeger.'

<p>Kalamazoo, Michigan, in de jaren vijfitg. Veel Groningers vonden hier hun nieuwe thuisland. - Ansicht: Migenweb</p>

Kalamazoo, Michigan, in de jaren vijfitg. Veel Groningers vonden hier hun nieuwe thuisland. - Ansicht: Migenweb

Spijtoptant?

Henk Hekman (1948) trouwde in 1994 met een Indonesische. 'Ik ontmoette haar op Java, toen ik daar in een weeshuis was als secretaris van 'Sponsor een kind'. We hebben een jaar lang contact gehad, zijn in Indonesië getrouwd en daarna in Farmsum gaan wonen. We hebben hier negen jaar gewoond terwijl ik Engels gaf aan het Fivelcollege. Onze dochters werden hier geboren.'

'Toen de kinderen drie en zes waren, verhuisden we naar Indonesië. Eerst vijf jaar in Jakarta, maar toen we genoeg kregen van de stank en de smog, verhuisden we naar Bali. Toen onze dochters volwassen waren, zijn we teruggekomen naar Nederland: zij wilden in Nederland studeren. We wonen nu in Martenshoek, maar ons huis op Bali hebben we nog. Mijn vrouw en ik spreken Nederlands met elkaar, maar ik heb mijn dochters in het Engels opgevoed. Met mijn vrouw spreken ze echter Indonesisch.'
'Als je weggaat, voel je dat de binding met je roots sterker wordt, maar je moet je niet voor de gek laten houden: verdriet en tegenvallers ken je ook als je thuisblijft. We hebben het gezien: emigranten worden op latere eenzaam en krijgen heimwee. Maar teruggaan? Ze zijn bang om als spijtoptant gezien te worden.'
'Nederlanders in het buitenland laten hun eigen cultuur zo snel varen. Ze willen zo spoedig mogelijk integreren. Ze komen daar aan, net uit de Groninger klei, en roepen dan: 'hier in huis wordt nu alleen nog maar Engels gesproken! Maar uiteindelijk vallen ze op latere leeftijd toch terug op Groningen en het Gronings.'

Wonen in een kippenhok

Drie ooms van Hennie Dijkstra-Koolman (1943) verhuisden naar Canada. 'Mijn oma woonde in Bellingwolde en had vijf kinderen. De twee dochters zijn in Nederland gebleven, maar de drie broers zijn in 1952 alledrie tegelijk vertrokken. Ze konden hier geen werk vinden en op een informatieavond hoorden ze de belofte van werk bij emigratie. Ze vonden het een goed idee. Ik herinner me nog hoe ik mijn neefje Luci (Lucas), die net als ik negen jaar was, heb uitgezwaaid.'
'De brieven van de jongens uit Canada brachten geen mooie verhalen. Ze waren met hun gezinnen middenin de velden uit de trein gezet: 'En nou werk zoeken!'. Ze hadden vijf cent op zak.'
'Ze zijn overal naar boeren gegaan, om te vragen om werk. Ze hebben een hele tijd in een kippenhok gewoond. Op den duur konden ze aan de slag. De mannen werkten voor de boer, de vrouwen deden huishoudelijk werk en slachtten kippen. Zo hebben ze de kost verdiend. Uiteindelijk, na heel hard werken, hebben twee broers een eigen bedrijfje kunnen opzetten. Oom Lucas een champignonfarm, oom Addo een schildersbedrijf. De derde broer, oom Bertus, overleed jong.'
'Ze hebben vaak genoeg gezegd: 'Als we hadden geweten dat Nederland zo snel en goed weer opgebouwd zou worden, waren we nooit weggegaan. Dan hadden we dat kippenhok niet hoeven meemaken. Toen ik er voor het eerst op bezoek was, hadden ze al spijt, maar ze hadden eindelijk een bedrijfje opgebouwd en wilden dat vasthouden.'

'Oom Lucas had geen kinderen, en toen zijn vrouw Grietje overleed, is hij opgevangen door een Italiaans gezin, Nathalie en Tony. Zij werkte op de champignonfarm en ze hebben een stuk aan hun huis laten bouwen om oom Lucas onderdak te geven. Zijn broer woonde een hele dag rijden bij hem vandaan. Nathalie en Tony waren ontzettend leuke mensen. Hij liet hun hond uit en lette op de kinderen. Als wij er waren ging ik wel eens mee de hond uitlaten, of mijn man. Dan kwamen de verhalen van oom Lucas...!'
'Die bezoeken waren altijd heel erg gezellig en leuk. Veel feesten, waarbij we ook wel onder de tafel door zijn gekropen, haha! We zijn eens naar een wijnproeverij geweest en kwamen er allemaal teut vandaan. Oom Lucas heeft zijn farm uiteindelijk aan Nathalie en Tony overgedragen.'

'Ik bel nog wel met mijn tante van 90, de vrouw van oom Addo. Aan het einde van elk gesprek moet ze huilen en ik vind het ook emotioneel. Ik vlieg niet graag en zij zit daar in een bejaardentehuis, daar kun je natuurlijk niet overnachten als gast. Ik weet dat ik haar nooit meer zal zien en dat is moeilijk.'