Jong in de jaren zeventig

1945-1989

Wonen in Lewenborg in de beginjaren

Wonen in Lewenborg in de beginjaren

Woningen in Lewenborg, ca. 1970-1976 (met een onbekende man). - Foto: Persfotobureau D. van der Veen, collectie RHC Groninger Archieven

Max van den Berg werd in 1970 wethouder Volkshuisvesting en mocht zich in die hoedanigheid gaan bemoeien met de bouw van Lewenborg. 'Het plan lag al goeddeels vast, er was in 1968 al een commissie ingesteld.' Daar zaten architecten en stedenbouwkundigen in, maar bijvoorbeeld ook een lid van de vrouwenadviescommissie en een student. 'Lewenborg kwam tot stand tijdens een kanteling in de maatschappij. Na de Tweede Wereldoorlog waren de overheden zakelijk en technocratisch ingesteld: alles moest snel weer op poten worden gezet. Maar vanaf de tweede helft van de jaren zestig begon er wereldwijd iets te veranderen. Ook in Groningen. Er ontstond een andere manier van leven, van beleven en andere ideeën over welvaart dan alleen maar rijkdom.'

'In die tijd waren veel mensen politiek actief, zonder overigens meteen lid te zijn van een partij. De eerste bewoners van Lewenborg vormden wijkteams: daar moest je rekening mee houden! Er werd veel zelf geregeld en besloten. Als wethouder moest ik de wijk in: ik moest de politiek gaan opzoeken, want die kwam niet naar mijn kantoor.'

Meetlint

'De visie van het ontwerp van Lewenborg had veel te maken met de gedachte van een compacte stad. We wilden geen satellietstad bouwen, maar een wijk, een deel van de stad. De nieuwe woonwijk mocht niet te ver van de binnenstad af komen te liggen en moest niet opgeslokt worden door de Ommelanden. De scheiding tussen Stad en platteland moest duidelijk zichtbaar blijven. Het openbaar vervoer moest zorgen voor een goede verbinding met de Grote Markt.

Ik herinner me dat ik tijdens een bezoek aan Lewenborg de doorgaande weg heb gecontroleerd met een meetlint. Die was echt te breed, want we wilden nu juist af van die racebanen en voorrang geven aan bussen en fietsen. Na een paar telefoontjes met Openbare Werken is de weg weer versmald.' In het publiek wordt instemmend gemompeld. 'We hebben het ook zelf gedaan,' vult een toehoorder aan. 'Er lagen hier allemaal bielzen, die je goed kun gebruiken om de weg te versmallen.' Een ander begint te lachen: 'Oja, de Lewenborger bielzen!' Die komen later op de avond nog ter sprake.

Van den Berg klinkt trots als hij het heeft over de beginperiode van de wijk. 'Lewenborg is in die internationale kanteling terechtgekomen. Er is in de jaren zeventig zoveel verbeterd in deze stad: we hebben de oude wijken weten te behouden, het verkeerscirculatieplan ingesteld, monumenten behouden en gerestaureerd, de markten teruggebracht naar het stadshart... Wij liepen in Nederland behoorlijk vooruit op het gebied van participatie en betrokkenheid van de bewoners. U hebt deze wijk gemaakt!'

'Rimboetoeslag'

Arthur Uyleman woonde in Doetinchem en kwam voor zijn werk naar Groningen. ''Laat je niet in Lewenborg drukken!' zeiden de mensen toen we hier aankwamen. Voor Stadjers bestaat de stad alleen uit het gebied binnen de Diepenring; daarbuiten is er niets. Maar ik kwam dus wel in Lewenborg terecht. En nog met rimboetoeslag ook!'
(De rimboetoeslag was destijds bedoeld om bewoners uit de meer drukbevolkte gebieden in Nederland weg te lokken. 'Na Zwolle hield voor de westerling de wereld op.')

Vrijheid in het groen

De gemeente Groningen sloot in 1973 een contract voor 10 jaar met de landschapsarchitect Louis Le Roy. Max van den Berg: 'We hadden niet zo veel budget en zochten naar een praktische oplossing.' De filosofie van Le Roy was om de natuur zijn gang te laten gaan en de bewoners zelf te laten planten en maken wat ze wilden. Uyleman: 'Alles mocht volgens hem. Maar niemand begon, want wat als de politie kwam? Ze waren dit niet gewend. Uiteindelijk begon een buurman; hij haalde zijn schutting weg en plantte wat boompjes in het openbare deel. En hij werd niet gearresteerd! Pas daarna begonnen de mensen te werken aan het groen. Ik werd al snel een aanspreekpunt en ben dat nog steeds. De Le Roygebieden zijn in de loop der tijd behoorlijk veranderd, maar de opzet was dat mensen het zelf deden.' Sigrid Uyleman (1950): 'Ik zat destijds thuis en op een dag stonden er allemaal jonge boompjes naast ons huis. Mensen begonnen ze mee te nemen, maar dat was niet de bedoeling; ze moesten daar geplant worden. Maar door wie? Toen hebben we de mouwen opgestroopt en vrijwilligers gezocht.'

Bielzen en landjepik

Karst IJszenga (1942): 'Op een gegeven moment moest er een Wilgenbos gepoot worden. Le Roy deed voor hoe dat precies moest. Maar zijn methode duurde veel te lang, op een gegeven moment deed je dat dan maar wat makkelijker. Er moesten honderden gepoot worden. Maar je deed gewoon mee. Het was leuk om te doen en als buurt nam je elkaar ook mee. Mensen waren ook actief in hun eigen tuin. De bielzen voor het Le Roygebied werden ook gebruikt om de eigen tuin te verlengen. Je belde dan met de gemeente dat er een vrachtwagen vol bielzen nodig was, en die werden dan gewoon geleverd. Of bijvoorbeeld zwarte grond. Het was gewoon Wild West toen! Le Roy was er ook niet altijd bij, maar die vond heel veel ook wel prima. Als het maar in de geest van zelf doen was.' Sommige bewoners speelden een soort landjepik met de Le Roygebieden. De bielzen werden ook in eigen tuin gebruikt en gebruikt om stukken Le Roy gebied bij de eigen tuin te trekken.

In het openbaar groen werd van alles gebouwd. André Koch kwam in in 1976 in Lewenborg wonen, in het Kraaiennest. 'In het begin was de wijk nog heel kaal. We zaten vlakbij het LeRoygebied en we vonden het heel leuk dat iedereen met elkaar samenwerkte. Het project van LeRoy kwam wel wat langzaam op gang, misschien ook omdat LeRoy eerst fel tegen ingrijpen was. Maar later hebben we met de bielzen een amfitheater gebouwd. Ook hebben we Griekse windmolen gebouwd. Alles mocht, als we het maar zonder machines deden. Die bielzen die waren best wel zwaar. Maar het was bijzonder dat je op gemeentegrond je eigen gang kon gaan. Op een gegeven moment was er zelf een treintje dat liep op carbid, geweldig!

Cohesie

Janneke Rentema (1948) was een van de initiatiefnemers voor de oprichting van de Jenaplanschool de Swoaistee, die sinds 1973 in Lewenborg staat. 'Ik woonde aan de Meerpaal, waar meer gezinnen met kinderen woonden, die ook nog eens allemaal naar de Swoaistee gingen. We kenden elkaar en gingen veel met elkaar om.' Oud-collega Sigrid Uyleman vult aan: 'In de beginjaren van de Swoaistee moesten ouders aangeven waarom ze voor een Jenaplanschool kozen. Al die gelijkgestemden voelden zich al snel met elkaar verbonden.'

In Lewenborg ontstonden al snel straten en hoeken met ongeveer dezelfde 'soort mensen'. Nieke Huender (1943) was wijkverpleegkundige. 'De Meerpaal stond bekend als het academische hoekje. Maar in de beginjaren ging het niet zo vlug. Ik herinner me dat ik door de wijk fietste en dan terug op het bureau een kruisje zette op een kaart: 'dat huis is nu ook bewoond'.

Ria Roemer: 'Wij hadden in de jaren ’70 één kind. Daardoor konden we in de stad geen huis krijgen met een tuin. Behalve in Lewenborg. Toen we bij de woningbouwvereniging kwamen werden we met open armen ontvangen, we kregen thee met een koekje er bij. En samen met ons trokken ze de wijk in en lieten ze ons alle huizen zien waaruit we konden kiezen. Zo hebben we uiteindelijk een huis gevonden.'

Karst IJszenga (1942): 'Wanneer er een nieuwe bewoner in de bus richting Lewenborg stapte, dan stelde die zichzelf voor aan de rest.' Partner Gea IJszenga vult aan: 'De laatste in de bus werd soms ook wel thuisgebracht door de buschauffeur, dat was heel bijzonder.'

Een dorp in de vorm van een schip

Overal in Lewenborg schoten in de beginjaren de verenigingen en clubs als paddenstoelen uit de grond. Toneel, schaken, dammen, bridgen, volleybal en zelfs huisvrouwengymnastiek in een klein zaaltje. Arthur Uyleman: 'Mensen troffen elkaar in de noodwinkel, de 'Wolda', in het café of in Het Dok, het wijkcentrum. En al snel ontstond de behoefte aan clubs.' Roelof Jonker (1952): 'Lewenborg heeft eigenlijk een heel dorps karakter: de wijk heeft één centrum, waar iedereen naartoe moet.'

De opbouw en indeling van de wijk is sowieso een opvallend punt. Alle straatnamen hebben te maken met de scheepvaart. Bert Kragt: 'Ik vind de straatnamen heel handig voor de oriëntatie: globaal gezien klopt het: Boeg en Vooronder aan de westkant, Mast, Ra en Kajuit in het midden en aan de oostkant Roer en Sloep.'

Max van den Berg was als wethouder Volkshuisvesting ook betrokken bij het kiezen van de straatnamen. 'In die commissie zat ook iemand van de PTT en iemand met een archeologisch-historische achtergrond. Helderheid was belangrijk, net als de mogelijkheid om uit te breiden. We vonden het beeld van de wijk als een groot schip wel erg mooi. Heel veel alternatieven waren er overigens niet!'

<p>Folder ten behoeve van nieuwe bewoners van de wijk Lewenborg, 1972 (detail). - Folderontwerp: Margro groep, Groningen, Collectie Groninger Archieven</p>

Folder ten behoeve van nieuwe bewoners van de wijk Lewenborg, 1972 (detail). - Folderontwerp: Margro groep, Groningen, Collectie Groninger Archieven

'Van minder allooi'

Janneke Rentema: 'Het was fantastisch om in een straat te wonen met allemaal mensen van je eigen leeftijd en met min of meer dezelfde opvattingen. Achteraf vind ik het wel een beetje jammer, vooral voor de kinderen. We waren allemaal jong, hoog opgeleid en de cohesie was hoog; veel variatie was er niet. We waren allemaal links-intellectueel, uiteindelijk bleek dat toch wat eenzijdig.'

Bert Kragt (1964): 'Er wordt weinig verhuisd in Lewenborg. Dat is een goed teken natuurlijk, maar het levert weinig diversiteit op.' Janneke Rentema: 'Toen de kinderen het huis uit waren, ben ik in 1993 ook verhuisd. Dit is toch een gezinswijk.'

Els Knol-Licht (1944): 'Die variatie kwam pas later. Misschien heeft dat wel een jaar of twaalf geduurd. Mensen verhuisden en wat er voor terugkwam, was lager opgeleid en had andere normen en waarden.' Geen van de (oud-)Lewenborgers wil de latere bewoners als 'minder' bestempelen, maar iedereen beaamt dat er een geleidelijke verandering plaatsvond. Martje Sterenberg (1958) is de dochter van architect Jan Sterenberg, bij wie Lewenborg aan de tekentafel ontstond. 'Ik weet nog dat mijn vader er erg verdrietig over was dat de wijk op den duur verloederde. Hij verweet de woningcorporaties dat ze mensen 'van minder allooi' hier naartoe schoven.'

Max van den Berg: 'Ik vind Lewenborg goed gelukt. Er is groen, ruimte en water. Het is een dorp vlakbij de grote stad. Er is een ruim scholenaanbod, er zijn goede centrumvoorzieningen en de huizen zijn goed en goedkoop.'

Roelof Jonker: 'Ik kwam hier halverwege de jaren tachtig met tegenzin, maar ik woon er nu nog steeds. Theo Maas (1949) kwam in 1989 in Lewenborg wonen: 'Ik heb hier 25 jaar gewoond en woon nu in Noorddijk. Wat ik kenmerkend voor Lewenborg vind, is dat de wijk in de hele stad een slechte naam heeft, maar de mensen die hier wonen willen er nooit meer weg.'