Van Adorp tot Zuurdijk

1945-1989

IJspret in Aduard

Wat een feest als we konden schaatsen. Het gebeurde geregeld dat het wekenlang vroor dat het kraakte. Het “binnendaip” was bevroren en dan konden we daar zomaar op schaatsen. Lange slierten kinderen en ouderen kon je vinden op het ijs.

IJspret in Aduard
Baanvegers en schaatsenrijders op het bevroren water "De Lindt" - Foto P. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (818-133)

Mijn opa en vader waren timmerlieden en bij strenge vorst was er niet veel te doen. Mijn opa had zijn timmerbedrijf aan de Hoofdstraat in Aduard, maar de achterkant van het huis grensde aan het diep. Veel mensen kwamen langs om hun schaatsen te laten slijpen. Vader en opa hadden met het schaatsenslijpen een mooie bijverdienste in die karige wintermaanden. Opa had een grote slijpsteen en oma bracht keteltjes heet water om over de steen te gooien. Opa trapte op het wiel en de steen draaide rond, de vonken vlogen er soms af. Eerst moest men "het draad" eraf rijden als ze er weer op gingen schaatsen en daarna was het ijzer zo scherp als een scheermes.

Liekeblom

Wat was het altijd gezellig bij opa en pa in de verwarmde werkplaats. Al die mensen, die met hun schaatsen nog onder kwamen aangelopen of gestrompeld, hun koude handen onder de armen loskloppend. Veel gesprekken gingen over ijs, kou en elfstedentochten. Natuurlijk kwam de betrouwbaarheid van het ijs op het Lindt en het Aduarderdiep ter sprake. Als dat ijs betrouwbaar genoeg was, werden er tochten gemaakt naar Leek. Hele hordes, vooral mannen, aanvaardden de barre tocht naar Leek. Soms nam men een stok mee: dat gaf steun als er meerderen aan die stok schaatsten, vooral aan de jongeren die meegingen. Mijn pa ging ook vaak op de schaats naar Leek, samen met enkele vrienden. Daar aangekomen kregen ze een Leekstertak.. Dat was een gekleurde bloem gemaakt van papier. Die droeg hij vol trots op zijn revers. In Leek noemden ze dat de "liekeblom". Na de schaatstocht gingen ze daar naar de kroeg en werden er heel wat warme grokjes en borreltjes genuttigd om weer warm te worden. Ze kwamen met de taxi weer thuis.

Schoonrijders

Ook op de ijsbaan was het een vrolijke boel. Ouderen zwierden elegant over het ijs, dat noemden we "schoonrijders" enkelen hadden een grote bonten want om de handen en pakten elkaars handen gekruist vast. Mijn tante Marie schaatste vaak in een rok. Een warme witte ijstrui erbij aan. Ze schaatste met mijn vader of met haar vriendin. We kregen van haar of van moeder een rolletje drop of 'groentjes' mee tegen de kou. Dat was voor ons een ware traktatie in die tijd.

Lange uren schaatsten we op de ijsbaan. Soms werd je geduwd door een jongen die je wel leuk vond en graag verkering met je wilde hebben. Iedere middag en avond na schooltijd of het werk waren we op het ijs te vinden. De houtjes onder gedaan en dan die koude ingevette leren veters aangesnoerd, je handen werden blauw van de kou. Soms knapte er een veter, dat was pech. Eerst maar naar de schoenmaker om nieuwe leren veters te kopen. Die leren veters konden keihard zijn.

"Kiek mor uut, straks hest de botten stukkend."

'Vrouw Doedens', de moeder van mijn vriendin Marjo, was ook vaak van de partij als het vroor. Zij hadden een kruidenierszaak en ze was dinsdagsmiddags vrij, want dan was de winkel gesloten. We gingen samen met haar schaatsen en hielden haar hand vast. Als mijn pa op het ijs was, riep ik hem toe: "Kiek es pa, ik ken al overstappen". Geheid vloog je dan uit de bocht omdat je het te goed wilde doen, om pluimpjes te krijgen. "Kiek mor uut, zei hij dan, straks hest de botten stukkend." Ouderlijke zorg natuurlijk. Sjouke Dijkstra kwam geregeld langs om de ijsvloer te verzorgen.

De ijsbaan van Aduard in 1950 - Foto: familie Vrieling
De ijsbaan van Aduard in 1950 - Foto: familie Vrieling

Wij waren lid van de ijsvereniging en je kon op vertoon van een kaartje, gratis op het ijs komen. Ieder jaar was het weer een andere kleur, zodat je niet kon "smokkelen" als je langs de controlepost moest. Ze waren heel erg streng. Vlak bij de ijsbaan was een kroeg. Steenhuizen was de kroegbaas, een aardige oude man. Een enkele keer gingen we met wat bekenden naar het café en kregen citroenkwast om wat warm te worden. Daar brandde een potkacheltje, waar velen rondom zaten. De borreltjes en warme citroenkwast gingen gretig naar binnen bij de ouderen. Wij dronken warme chocolademelk om weer wat warm te worden. Wat deden je voeten pijn, als die schaatsen af moesten en je weer naar huis liep! Gauw vlak bij de warme kachel en o, wat tintelden je tenen en vingers dan. Je moest er soms van huilen omdat het zo pijnlijk was. Uren kon het duren voordat je tenen weer wat normaal aanvoelden. Als je niet oppaste, kreeg je wintertenen en was je nog verder van huis. Mijn zusje Dineke kan erover meepraten, want bij haar was het ieder jaar raak.

Sterretjesjenever

Ik had twee vriendinnen, Hilda en Marjo en samen hadden we ook drie vrienden, Geert, Hayo. en Kees. We hadden het altijd heel gezellig samen en waren veelvuldig op het ijs te vinden. De drie jongens kochten zich ’s winters een fles 'sterretjesjenever', anijsjenever. Ze kochten die fles bij café Alt. Ze dronken samen uit één glaasje, of als het glaasje stuk was, uit de dop van de fles. Plezier dat ze dan hadden met elkaar.

Hun ouders mochten niet te weten komen dat ze jenever dronken, ze waren immers nog minderjarig, maar Geert wist wel raad. Hij verstopte de fles jenever, goed in een krant gewikkeld, in de dakgoot, achter zijn huis, dicht bij de ingang van de achterdeur. Daar was het wat lager gelegen en kon hij er zo bij. Geen mens die maar enig vermoeden had, dat daar een fles jenever verstopt was.

Als we als drie meiden moesten oppassen bij dezen en gene in het dorp, dan kwamen de drie "musketiers" ook bij ons en menigmaal werd de fles sterretjesjenever weer uit de dakgoot gehaald en werden er een paar neutjes burgemeester gemaakt. Wij mochten ook even proeven: sterk spul hoor!

Een leuke jeugdtijd met veel mooie herinneringen.

Eens stonden wij met z'n zessen bij ons in het gangetje opzij van het huis te praten, toen mijn vader voorbij fietste. Hij hoorde ons praten en lachen met elkaar. Toen riep hij lachend: "Het kon wel meertmoand wezen". Grote hilariteit natuurlijk. Kwam zeker door de sterretjesjenever...!