Van Adorp tot Zuurdijk

1914-1945

Kerstnacht 1910: warm in de kou

Mijn vader, Johannes Boon, werd op 21 februari 1902 in Uithuizen geboren, 5 juni 1997 is hij er overleden. In zijn laatste levensjaren sprak hij veel over het verleden.

Kerstnacht 1910: warm in de kou
Foto: D. De Haan via Flickr

‘Nadat mijn overgrootvader was overleden, belandde mijn overgrootmoeder, die toen zonder inkomen zat, in het armenhuis. De levensomstandigheden in het armenhuis waren erbarmelijk. Gelukkig kon ‘Overgrootje’ nog wat bijverdienen door koffie en thee te verkopen aan een aantal vaste klanten van haar overleden man, die dagloner bij een boer, maar ook handelaar was. Het was 24 december 1910 en ‘Overgrootje’ kwam voor een gezellig babbeltje bij ons op bezoek. Die middag was ze nogal stilletjes, maar na een poosje vertelde ze mijn moeder wat haar dwars zat. Ik, haar ‘ventje Jan’, zat met mijn knikkers te spelen en luisterde.

Terwijl moeder op de houten tafel de knolraap aan plakken sneed, speelde ik op de planken vloer dicht bij de warme kookkachel met mijn knikkers. Er werd op het raam getikt. “Overgrootje,” zei moeder. Overgrootmoeder kwam binnen. Ze klopte de sneeuw van haar omslagdoek en zette haar klompen bij de deur. Op kousenvoeten kwam ze rillend van de kou de kleine kamer binnen. ”Moi Knelske en ventje Jan.”
“Moi Overgrootje.”
“Wat doe jij in deze sneeuwstorm buiten, op jouw leeftijd?” vroeg moeder bezorgd.
“Omdat ik geen turf meer heb en de sneeuw door alle kieren m’n kamer naar binnen waait, kom ik me hier warmen. Ik ben koud tot op het bot.”
Moeder schoof voor Overgrootje de kraakstoel dicht bij het vuur en ze zei: “Kom oudje, ga zitten en warm je.”

Om zich tegen de kou te beschermen, had Overgrootje van oude wollen kousen de voeten afgeknipt. Ze droeg ze over de mouwen van haar grijze jak, zodat haar armen warm bleven. In huis trok ze de kousen eraf. Op haar zwarte wollen rok droeg ze een bonte schort. Op haar hoofd droeg ze een zwarte, gebreide muts, waar een knoedel bovenop zat. In haar kous zat een gat, waardoor haar grote teen stak. Medelijdend keek ik vanaf de vloer naar Overgrootje. Terwijl zij mij over de bol aaide, vroeg ze: “Is mijn ventje Jan mooi aan het spelen?” Ze hield heel veel van mij en ik van haar.

Overgrootmoeder vertelde dat ze nog een half kruikje brandewijn in haar kast had gehad. Nadat ze het kruikje bijgevuld had met water, omdat het eigenlijk niet al te veel was, had ze de armste vrouwen van het armenhuis uitgenodigd: ‘Trijntje Anderhalve-cent’, ‘Klaaske Zwart-als-de-kachel’, en ‘Daantje Mankpoot’. Mensen kregen vaak een bijnaam in het dorp. "We zaten rondom de tafel in mijn kamer te nippen aan de brandewijn en maakten grote pret, totdat de kapelaan onverwachts binnenkwam," vervolgde Overgrootje. “'Wel, wel, dames, gaat dat hier zo?' zei hij. Wat dacht hij wel, ik was niet bang voor hem! Ik stond boos van mijn stoel op, keek hem recht in het gezicht en zei: 'U spuugt er immers zelf ook niet in, kapelaan!'”

"Maar nu heb ik teveel gezegd en daardoor krijgen de armen in het katholiek armenhuis geen geld meer in handen. We krijgen nu bonnen waarop we onze levensmiddelen kunnen halen. Voor mij is het niet erg, ik verdien er in het geniep nog wel wat bij, maar voor de andere bewoners is het toch wel wat,” zei grootmoeder. ”Zit er verder maar niet over in, het is misschien beter zo,” zei moeder. Je weet zelf dat menigeen drank, in plaats van voedsel voor het geld koopt.”
“Mag een mens dan nooit een pleziertje hebben?” zuchtte Overgrootje. Daarna keek ze naar buiten.

”Het sneeuwt niet meer,” zei ze. “Misschien kan ik zo vlak voor kerstmis nog wat waar bij mijn klanten kwijt. Ik zal toch moeten zien dat ik aan geld kom.”
“Ik zou je graag wat geven, maar je weet hoe wij er in de winter zelf voorstaan nu Jans bij de boer niet terecht kan. We hadden gehoopt dat Jans voor de kerstdagen nog iemand naar het kerkhof kon dragen, dan hadden we nog een extra centje gebeurd,” zei moeder.
“Mag ventje Jan met mij mee, Knelske?," vroeg Overgrootje. "Aan hem heb ik nog wat steun met die gladheid.”
“Als je me belooft dat je niet drinkt onderweg, mag Jan zijn jasje aantrekken”, antwoordde moeder.

Bij de grossier kon Overgrootje, na de dood van haar man, altijd nog voordelig inkopen. In een juten tas kwamen koffie, thee en oudewijvenkoek. Overgrootje had van de klantenkring van haar man nog een paar vaste klanten in en buiten het dorp overgehouden. Het moest allemaal in het geheim, want het armenbestuur mocht niet te weten komen dat ze er wat bij verdiende. Overgrootje ging daarom het liefst in het donker op pad. In het dorp sloeg zij haar omslagdoek over de tas, buiten het dorp hielp ik haar met de tas dragen. Eerst liepen we bij de boerderijen langs. Het sneeuwde niet meer, maar er stond een gure wind. We moesten steeds even halt houden om de sneeuw onder onze klompen eraf te schoppen.
“Heb je het koud, vrouw Boon?” vroeg de boerin, toen wij bij haar aanklopten. Overgrootje rilde wat overdreven, zodat de boerin ons in haar keuken liet, waar we ons mochten warmen. Ondanks dat bleef grootmoeder rillen.
“Zal ik je een borreltje inschenken vrouw Boon? Daar wordt je misschien weer een beetje warm van.” Overgrootje knikte. Door het drankje kwam ze op haar praatstoel en daardoor zou de boerin sneller iets kopen, begreep ik.

Overgrootje ‘speelde’ bij al haar klanten de koude, oude vrouw. Zo lieten ze haar allemaal binnen en schonken haar een borreltje in om warm te worden, terwijl Overgrootje de nieuwtjes uit het dorp vertelde. Na al die borreltjes moest ik haar tijdens het lopen dus echt ondersteunen. Om niet teveel naar drank te ruiken, haalde ze uit een zak onder haar rokken twee pepermuntjes, die we in onze mond staken. Aan de vrouw van de bakker verkocht Overgrootje de laatste koffie. Ze vroeg de vrouw of ze even op de doos mocht. We liepen door de bakkerij naar de schuur, waar turf lag opgeslagen. Achter in de schuur ging Overgrootje op de doos. Vliegensvlug liep ze daarna naar de opgeslagen turf, pakte er een van en draaide hem snel in haar schort! Met een uitgestreken gezicht liep ze met mij de schuur uit.

Het was donker rondom het armenhuis. Overgrootje stak de olielamp aan en zette die op de tafel. “Zo, en nu steken wij de kachel aan, ventje Jan.”
Het vuur wakkerde pas aan toen ik lucht door een opening onderin de kachel blies. Hoog bovenop de oude kast stonden drie porseleinen spoelkommen. Ik pakte voor haar de middelste spoelkom en ging naast haar aan tafel zitten. Toen Overgrootje de spoelkom omdraaide, rinkelden de muntstukjes op het tafelblad, die we nauwkeurig telden. Ik zette de spoelkom daarna weer op de kast en moest grootmoeder beloven dat ik niemand zou vertellen, dat zij haar geld daar bewaarde. Dat was ons geheim.

“Ventje Jan, ik ben nog koud, wil jij voor mij nog een maatje brandewijn halen?”, vroeg ze. Met het kruikje onder mijn jas (want het ging niemand iets aan) en een paar muntjes in mijn hand, ging ik op pad. Op de terugweg nam ik een slokje. Toen ik terug kwam stonden er al twee glaasjes op tafel, eentje met wat bruine suiker. Samen genoten we op die kerstavond van de brandewijn. We zongen samen 'Stille nacht, Heilige nacht'. Eindelijk lekker warm geworden, kropen we toen in de bedstee. En terwijl de kerkklokken van Uithuizen luidden en de sneeuwvlokken dwarrelden, lagen wij als lammetjes vredig te slapen in het stro.