Verhalencafé: 'Ineens waren we Zuid-Molukkers, messentrekkers, kapers'

In de bibliotheek van Marum vond op 24 januari 2019 een verhalenavond plaats rondom Molukkers in de jaren zeventig. Eerder al was er een bijeenkomst geweest over het Kamp Nuis, waar in de jaren vijftig bijna 250 Molukkers verbleven. Beide avonden hadden het verzamelen van Molukse verhalen tot doel, die vervolgens creatief verwerkt worden in drie theatervoorstellingen van het project Aan de andere kant.

Verhalencafé: 'Ineens waren we Zuid-Molukkers, messentrekkers, kapers'

Molukkers vieren op een bijeenkomst in Den Haag het 22-jarig bestaan van de Republiek der Zuid-Molukkers (RMS). - Foto: maker onbekend, ANEFO. Nationaal Archief, Den Haag

Sam Pormes (1954), het eerste Eerste Kamerlid van Molukse afkomst (tussen 2001 en 2006), leidt het gesprek. Wanneer hij elke aanwezige vraagt om de jaren zeventig in één of twee woorden te typeren, komen er al snel twee begrippen bovendrijven: de kapingen en de Molukse identiteit. Pieter Anthony: 'Ik was al van alles genoemd: zwarte, chocodip, Ambonees, ebbenees, maar na de actie in Wassenaar was ik ineens Zuid-Molukker. En messentrekker. En kaper.'

De gemeenschap

In de jaren zestig werden het Molukse kamp in Nuis opgeheven. De bewoners vonden een definitieve woonplaats in Drachten, Marum, Hoogkerk en in de Wijert in Groningen. Debby Manusiwa (1968): 'In Marum bestond de Molukse wijk uit ongeveer viereneenhalve straat. En nu nog, eigenlijk. We wonen daar nog steeds bij elkaar.'

Pormes: 'Bijna alle Molukse wijken in Nederland zijn gebouwd in uithoeken, geïsoleerd, aan de rand van de stad of het dorp. Woonden jullie hier wel in jezelf?'

Lies Manusiwa (1938): Ja, maar er was wel contact met Nederlandse vrouwen, we hadden een praatgroep.'

Charlotte Maipauw (1966): 'Nee, dat was later pas. We leefden veel onder elkaar. Je zat wel met Nederlandse kinderen op school, maar met de Molukse kinderen ging je naar de zondagsschool. Die werd geleid door usi Melie. Ze deed heel streng. Je moest met je armen over elkaar zitten en stil zijn. Ze sloeg met de liniaal op tafel!'

Manusiwa: 'Er werd niemand kwaad gedaan, hoor. Maar je hoorde te luisteren. Zo ging dat.'

Janny Soumokil-Speulman (1949): 'Je kwam jullie overal in het dorp tegen, dat was heel gewoon. Alleen op het voetbalveld was er soms trammelant. Dan waren er van die derby's en werd er heel fanatiek gespeeld.'

Maipauw: 'We hadden een eigen voetbalvereniging, SV Maluku. Blauwwitte shirts. Iedereen ging standaard mee, dat hoorde erbij. Je zag je ooms voetballen.'

Soumokil-Speulman: 'Mijn man was een van die ooms.'

Manusiwa: 'En dan kreeg je allemaal Maleise woorden te horen die je niet kende! Ik ben in het Nederlands opgevoed en dan vroeg ik mijn ouders wel wat zus of zo betekende. Maar dan zeiden ze: 'dat is niet voor jouw oren bestemd!''

Soumokil-Speulman: 'Ik herinner me de Molukse gemeenschap toen als heel hecht. Met kerst of bij een ander feest kwam iedereen bij elkaar over de vloer. De deur stond altijd open.

Manusiwa: 'Er kwamen misschien wel tweehonderd mensen bij een doop of belijdenis. De hele dag door kwamen ze en de hele dag door was er eten. Dat werd al dagen van te voren gekookt en geregeld.'

Pormes: 'Nu is dat veel minder. Mensen huren catering in, of ze gaan uit eten.'

Soumokil-Speulman: 'Dat komt doordat de eerste generatie niet meer leeft. Die hield dat allemaal in stand, rondom de sidi [belijdenis] en zo.

Pormes: 'Wie hoorden bij de eerste generatie? Er zijn verschillende zienswijzen. De een vindt dat het alle Molukkers zijn die van de boot af kwamen, een ander alleen de volwassenen, weer een ander alleen de gehuwden. Hoe dan ook, familie was erg belangrijk. Voor de tweede generatie, volwassen in de jaren zeventig, was het pijnlijk dat ze hun grootouders niet kenden en geen ooms en tantes hadden. Daardoor vond een upgrading plaats van mensen uit hetzelfde dorp of dezelfde streek, bij gebrek aan bloedverwanten. Dat verklaart waarom de feesten in de jaren zeventig zo groot waren, en nu veel kleiner: de families zijn nu weer aangegroeid in de diepte, terwijl ze toen in de breedte waren gegroeid.'

De eerste acties

De eerste radicale actie vond plaats op 31 augustus 1970, toen een groep gewapende jonge Molukkers de ambtswoning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar binnendrong.

Pieter Anthony: 'Het was naar aanleiding van het geplande bezoek van de Indonesische president Soeharto aan Nederland. Dertig jongeren uit verschillende wijken, van verschillende groepen – van student tot arbeider – verenigden zich. Dat was voor het eerst. Ze wilden laten zien dat het zo niet langer kon. En toen verscheen voor het eerst het woord 'Molukker' in de krant, of 'Zuid-Molukker'. En vanaf toen hadden we de vuist omhoog.'

Mietji Hully (1951): 'Wassenaar was vooral een signaal. De tweede generatie zei: 'waar zijn jullie mee bezig?' Er was veel onvrede over de splitsingen en de verdeeldheid binnen de eerste generatie.'

Maipauw: 'Er waren verschillende groepen. Je had Missie, KPK, en zo. Ze hingen elk een andere leider aan.'

Pormes: 'De vraag was wie nou de legitieme opvolger was van de eerste president.'

Hully: 'Wassenaar was een gezamenlijke actie van linksradicalen, KPK én Missie, drie groeperingen. Dat was voor het eerst. Maar in '77 [tijdens de treinkaping bij De Punt] speelde dat allemaal geen rol meer.'

De actie in Wassenaar duurde nog geen twaalf uur, kostte één agent het leven en leverde de Molukse zaak flink wat publiciteit op. Maar de 'echte' acties moesten toen nog komen.

In 1975 vond een nieuwe actie plaats, de treinkaping bij Wijster, die het leven kostte aan de machinist en twee passagiers. Na twaalf dagen gaven de kapers zich over. Tegelijk met de treinkaping werd het Indonesische consulaat in Amsterdam bezet, waarbij ook één dode viel.

<p>De treinkaping bij De Punt, veertiende dag. E&eacute;n van de gijzelaars loopt om de trein heen met een RMS-vlag. - Foto:&nbsp;Hans Peters (ANEFO). Nationaal Archief, Den Haag</p>

De treinkaping bij De Punt, veertiende dag. Eén van de gijzelaars loopt om de trein heen met een RMS-vlag. - Foto: Hans Peters (ANEFO). Nationaal Archief, Den Haag

De kaping

De grootste actie kwam twee jaar later, in 1977: de treinkaping bij De Punt en de gelijktijdige gijzeling van de lagere school in Bovensmilde. Tijdens beide acties vielen geen slachtoffers. Maar bij het beëindigen van de treinkaping werd veel geweld gebruikt en kwamen de zes kapers en twee gegijzelden om het leven.

Maipauw: 'Ik herinner me de beelden op televisie. Mijn buurman, 'oom' Max, was één van de kapers. Max Papilaya woonde hier. Hij stond altijd achter het huis te roken, ik zie hem nog staan met zijn lange haar. Hij was toen student, heel degelijk, netjes gekleed. Om bij onze tuin te komen, moest ik door die van hem. 'Dag nona,' zei hij dan altijd als ik met de fiets ging spelen. Ik was een heel verlegen meisje. 'Hee, nona manis, ga je spelen?' Ik vond het heel raar dat hij er opeens niet meer was.'

Soumokil-Speulman: 'Het was een heel nare tijd. Alles wat een kleurtje had, was ineens Moluks. Jullie werden heel erg belaagd, konden niet meer met de bus.'

Maipauw: 'Wij konden een week niet naar school.'

Manusiwa: 'De Molukse kinderen moesten thuisblijven. Van de lagere school! Stelletje treinkapers zeker! Ik voelde me niet veilig, ik ben onderweg naar basketbaltraining nog belaagd.'

Pormes: 'De gijzelingen werden in de Molukse gemeenschappen overal in Nederland op dezelfde manier beleefd. Bijzonder is wel dat jij een van de kapers hebt gekend.'

Maipauw: 'Oom Max was een van de beste vrienden van mijn oom. Later heb ik foto's gezien van de dode kapers in het blad Tjenkeh. Ook zijn foto.'

Mevrouw Manusiwa: 'Ik ben naar zijn begrafenis geweest.'

Anthony: 'Veel Molukse mensen voelden toch verwantschap met de daders van de actie. De waren pella van elkaar, hun vaders kwamen bijvoorbeeld uit hetzelfde dorp. Er was veel bewondering voor hun opoffering voor de Molukse zaak.'

Pormes: 'Bij de begrafenis was ook een grote delegatie uit de moslimgemeenschap, en uit de Zuidoost-Molukse gemeenschap. Die stonden niet achter de acties, maar ze waren er wel. Ze waren solidair, niet met de politiek, maar wel met het Moluks zijn. De eerste acties werden niet gedragen door de gemeenschap, maar die van '77 wel.'

Anthony: 'Veel mensen hebben echt last gehad van de discriminatie die bij de acties kwam kijken. Als we met een groepje bij de bushalte stonden, reed de bus zo voorbij.'

Manusiwa: 'Ik weet nog dat we een voetbalwedstrijd hadden bij De Punt. We werden meteen beoordeeld op onze afkomst, de scheidsrechter kwam met een hele lijst aan extra regels en eisen die nergens op sloegen. Toen we in het veld stonden riepen we: 'Meiden, geweren mee?' en toen een trein voorbij kwam, gingen we allemaal op de grond liggen. Toen werden ze wel weer wat soepeler.'

Pormes: 'We hebben dat stempel gekregen. We zijn onheus bejegend. Maar we maken nu eenmaal wel deel uit van een migrantengemeenschap met bepaalde eigenschappen.'

Pijn

Pormes: 'Het geweld van de acties had heel veel impact. De Molukkers voelden zich aangesproken. Ze voelden een heel sterke pijn. De eerste generatie had veel pijn van het KNIL-verleden, dat werkte door in de tweede generatie. Een collectieve pijn.

Als die pijn er niet was geweest, dan de acties ook niet. De eerste generatie heeft die vernedering ervaren, de tweede generatie maakte ze dagelijks mee. Je kreeg als kind lijfstraffen, maar achteraf ben je niet boos. Je begrijpt wat ze hebben doorgemaakt.'

Anthony: 'Bijzonder is dat de derde en de vierde generatie dat ook nog voelen. 'Wat is onze opa's en oma's aangedaan?' vragen ze huilend, terwijl toch zeventig procent een Nederlandse vader of moeder heeft.'

Soumokil-Speulman: 'Mijn kinderen net zo, die zijn echt Moluks.'

Drugs, muziek en subsidies

Pormes: 'Iets anders. In de jaren zeventig was er veel drugsgebruik, toch?'

Manusiwa: 'Het was er wel, maar in Marum was hiet niet echt zichtbaar. Ze deden het in de stad, dat was anoniem.'

Anthony: 'Het bleef binnen de familie. Molukse gebruikers werden vaak door hun eigen familie opgevangen. Ze verloren tanden, maar bleven in elk geval netjes gekleed.'

Pormes: 'Een op de twintig Molukkers was in de jaren zeventig verslaafd aan heroïne.'

Anthony: 'In Hoogeveen en Oosterwolde had elk gezin wel een verslaafde. Het was de tijd van de harddrugs, maar ook van de bandjes en de kunstenaars. Dat kwam ook op.'

Van Slageren: 'Massada!'

Anthony: 'Elke wijk, zelfs de kleine zoals de Wijert in Groningen, had tenminste één band.

Maipauw: 'Er waren veel familiebandjes. En je had de Black Pearls uit Roden, daar was niet eens een wijk..!'

Manusiwa: 'Je had Ambon-avonden. Dat waren feesten, vaak met een band, voor Molukkers. Dan zag je elkaar ook nog eens buiten de officiële gelegenheden om.'

Pormes: 'Serpentine was de eerste band op de Nederlandse televisie met Molukkers. Er waren twee kanalen om ons te uiten: het ene was de muziek en de cultuur. In Amsterdam had je elke maand Moluccan Moods in Paradiso. Op sociaal-maatschappelijk gebied kreeg je de Marinjo, een gratis krant die feitelijke informatie gaf over alles rondom de Molukkers.'

Hully: 'We kregen in die tijd heel veel subsidies. We werden zo'n beetje doodgeknuffeld.'

Pormes: 'Een eigen blad, eigen tv-programma's, de wijken kregen allemaal een opbouwwerker, er waren werkgelegenheidsprojecten, tweedekansonderwijs. Dat was allemaal na de kapingen. Het tweede generatie kader is ontstaan als gevolg van die mogelijkheden.'

Hully: 'Er was overal geld voor, zelfs voor reiskosten, sollicitaties. Heel veel geld. Een overheidsinfuus.'

Pormes: 'De problemen werden bedekt onder het geld, dat onze kant op kwam door een soort schuldgevoel. Nieuwe initiatieven werden daarmee 'doodgemaakt.' Maar wat wel goed is gegaan, is onderwijs.'

Meer weten over de Molukkers in Groningen? Lees de verslagen over De Molukse gemeenschap in Kamp Nuis, Molukkers in de Carel Coenraadpolder. Meer informatie over theaterproject Aan de andere kant vind je op www.adak-theater.nl