1945-1989

Verhalencafé: Molukkers in de Carel Coenraadpolder

In 1951 arriveerden zo'n 550 Molukse KNIL-militairen met hun gezinnen in Groningen. Ze werden ondergebracht in voormalige werkkampen in Nuis en in de Carel Coenraadpolder. De Ambonezen, zoals ze toen werden genoemd, hadden aan Nederlandse zijde meegevochten in de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. Ze rekenden op terugkeer en hoopten op de stichting van hun eigen staat. Hun verblijf in de kampen zou tijdelijk zijn en koffers bleven onuitgepakt. Maar het tijdelijke verblijf groeide voor velen uit tot permanente vestiging.
De Verhalen van Groningen organiseerde twee verhalencafés over de Moluks-Groningse geschiedenis. Op woensdag 4 april 2018 in Appingedam en op 6 april in Marum. Hieronder het verslag van de avond in de bibliotheek van Appingedam.

Verhalencafé: Molukkers in de Carel Coenraadpolder

Ceremonie in het kamp in de CC-polder. - Foto uit: Teade Smedes, Tussen belofte en teleurstelling bloeide een nieuw bestaan

Theatermaker en docent Gronings Theo de Groot leidt de gesprekken. 'Ik ben opgegroeid in Delfzijl en ongeveer 30 procent van mijn klasgenoten was Moluks. Ze hadden lekker eten en goede muziek. Hmm, die saté, die risolles! Ik heb echter nooit enig idee gehad van hun achtergrond en geschiedenis. Dat kwam pas veel later.'

Een flink aantal aanwezigen in de bibliotheek van Appingedam is in de kampen geboren: in de 'CC-polder', Nuis, Schattenberg (Westerbork), maar ook in Zeeland, waar een jaar na de Watersnoodramp ook Molukkers werden gehuisvest. Slechts enkelen zijn met hun ouders meegekomen op de boot naar Nederland, maar ze waren vaak te jong om de reis bewust mee te maken. Max Surisiay (1949) weet nog wel wat zijn ouders vertelden over de reis, die zo'n zes weken duurde. 'Het schip voer langs Java en onderweg werden we beschoten door ploppers, Indonesische nationalisten. En mijn moeder is heel bang geweest dat mijn broertje van één jaar oud zou overlijden. Hij werd namelijk tijdens de reis ernstig ziek. Maar hij is er weer bovenop gekomen.'

Ben Rangkoly (1944) was al wat ouder en herinnert zich hoe zijn schip aankwam in Rotterdam. 'Het was winter en het begon te sneeuwen. We hadden dat nog nooit gezien en de mensen begonnen te roepen: 'Kapok! Kapok!'' [katoenpluis, red.]

De reis ging door het Suezkanaal. Annet Hully (1949): 'Bij Port Saïd kregen de mannen dikke kleding uitgereikt. De vrouwen kregen niets, die moesten het doen met sarong en kebaya. Wel kregen ze lange onderbroeken, de zogenaamde langejan.'

Maar de aanpassing aan de koude was niets in vergelijking met wat de Molukkers al aan leed hadden doorstaan. Hully: 'De ouders mochten maar één of twee kinderen meenemen. De rest bleef achter, bij opa en oma of andere familie. Dat was al een onvoorstelbaar moeilijke keuze. Maar het erge was, dat die keuze op Java moest worden gemaakt en niet thuis. Hoe kun je zoiets beslissen? En in het buitenland? Toch deden de mensen het, want in hun achterhoofd hadden ze de uitspraak van de Nederlandse regering dat het verblijf in Nederland maar tijdelijk zou zijn, drie tot zes maanden.'

Tijdelijk?

Pieter Anthony (1955): 'De Nederlandse regering ging ervan uit dat de strubbelingen op de Molukken na een half jaar wel weer voorbij zouden zijn. De Molukkers in dienst van het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) waren uitvoerders, ze gehoorzaamden bevelen. Ze hadden geen idee van Nederland en wat hen te wachten stond.'

Anthony: 'Vele van onze vaders waren echte veteranen. Het was een hard gelag voor hen: direct na afloop van de Tweede Wereldoorlog moesten ze het leger in, het KNIL. Molukkers in het KNIL werden beschouwd als kanonnenvoer, zoals de Ghurka's in het Britse leger. Waarom ze dan toch in dienst gingen? Mijn vader had niet veel keus. Als hij in zijn eigen dorp bleef, moest hij herendiensten verrichten voor het koloniale regime, zoals wegenonderhoud. 'Ga bij het KNIL,' zeiden ze. 'Dan krijg je tenminste schoenen en een salaris.' Zo zijn veel Molukkers soldaat geworden.'

Anthony: 'Ze konden, vanwege de politieke situatie na de Indonesische onafhankelijkheid, niet op de Molukken gedemobiliseerd worden en ook niet op Papoea, omdat dat te dichtbij was. Daarom werden ze naar Nederland gebracht. Maar op het schip begon hun trauma: ze werden ontslagen uit het leger. Sommigen, zoals mijn vader, kregen hun ontslag in Nederland. Vervolgens werden ze met hun gezinnen 'gedistribueerd' naar kampen overal in Nederland.'

Max Surisiay: 'De Molukkers in de kampen mochten van toenmalige minister Van Thiel niet integreren, want ze gingen immers weer naar huis. De Commissie Ambonezenzorg (CAZ) regelde alles rondom de Molukkers. In het begin werden de Molukkers, toen nog Ambonezen genoemd, willekeurig verdeeld over de kampen. De Nederlanders dachten dat we allemaal tot dezelfde groep behoorden, maar de Molukkers zijn een multicultureel volk. Dat leidde al snel tot problemen in de kampen.

Mietji Hully (1951): 'Vooral in de centrale keukens kregen de mensen ruzie. Het gebruik van dezelfde opscheplepel voor varkensvlees en een ander gerecht was voor de moslims onmogelijk. Pas toen zijn de Nederlanders gaan kijken naar de achtergronden van de mensen en kwamen er kampen die waren ingedeeld op geloof.'

Opgroeien in de CC-polder

Het kamp in de Carel Coenraadpolder werd in 1953 in gebruik genomen als opvangkamp voor ongeveer 80 Molukse gezinnen, nadat het al een bewogen geschiedenis had meegemaakt als werkverschaffingskamp, Duits verdedigingswerk, interneringskamp voor NSB'ers en kamp voor gedetineerden. In de volksmond werd de plek al snel bekend onder de naam 'Ambonezenbosje', omdat Molukkers toen nog vaak Ambonezen werden genoemd, naar één van de Molukse eilanden.

Een Nederlandse gast: 'Ik ben opgegroeid in Termunten en het was op de fiets zo'n negen kilometer naar het kamp, maar ik mocht er niet heen. Mijn moeder waarschuwde mij, al wist ze zelf misschien niet waarvoor: 'Daar zijn allemaal zwarten!' Maar ik deed net alsof ik naar een vriendje in Finsterwolde ging en ging toch. Zo reed ik op de fiets het kamp binnen. 'Hallo, wat doe jij hier?' vroegen de mensen daar, heel gewoon. Ik ben er maar één keer geweest. Ik had daar verder niets te zoeken.'

Veel Molukkers die als kinderen opgroeiden in de CC-polder, hebben fijne herinneringen aan hun jeugd. 'De dijk was onze glijbaan en we speelden verstoppertje in de rogge.' Mina Ferdinandus: 'We deden tikkertje met de kippen.' Ben Rangkoly: 'In de winter was het kanaal bevroren. Ik zag de blanda's schaatsen en zat te kijken: 'Hoe kunnen die zo vooruit gaan?' Ik heb goed gekeken naar de schaatsen die ze aan hun voeten hadden en toen heb ik zelf ook een paar gemaakt, gezaagd van een stel stoelpoten.'

Wim Ampak (1954) heeft zijn voornamen te danken aan zijn geboorteplaats: 'Ik heet Wilhelmus Carel Coenraad. Toen ik als jongetje voor de eerste keer naar de kleuterschool Pinkeltje in Appingedam ging, was er een meisje in mijn klas, dat na schooltijd naar haar moeder rende en riep: 'We hebben een nieuw jongetje in de klas en hij heet Wimpie Zandbak!''

Max Surisiay groeide op in een kamp in Zeeland, maar de oud-bewoners van de CC-polder delen zijn herinnering: 'We speelden ontzettend veel spelletjes met knikkers, die soms vreselijk moeilijk waren. Op het schoolplein speelden we ook en de Nederlandse kinderen namen onze spelletjes over. Maar niet de moeilijkheidsgraad, ze deden het veel gemakkelijker, haha! En tijdens gymnastiek en bij sport wonnen we altijd!'

Ludia Souhuwat (1949): 'We kregen als kinderen wel een strenge opvoeding. Er werd veel geslagen en we mochten geen kik geven, want dan kregen we nog meer klappen.'
Ben Rangkoly: 'We waren als jongens echt geen lieverdjes, we waren vechtersbazen. Als ik een pak slaag kreeg van mijn vader, dan was dat met de rotting [wandelstok van rotan, red.] of zelfs met de koppelriem.'
Het moet voor de volwassenen ook een vreemde, moeilijke situatie zijn geweest. Rangkoly: 'Van de acht koffers die mijn ouders mee hadden genomen, bleven er zes dicht. Want we gingen toch weer terug?' Annet Hully: 'Die koffers bleven altijd gesloten. Ook na een paar jaar nog.'

Hully: 'En toch hebben we een mooie jeugd gehad.' Mina Ferdinandus beaamt dat: 'Het kamp was ons territorium. We woonden bij elkaar en 's avonds ging de poort dicht.'

Gronings en Nederlands

De kinderen leerden op school al snel Gronings en veel van de aanwezigen spreken de taal accentloos. Ampak: 'Ik heb een verslaggever van TV Noord ooit verrast tijdens een interview. 'En, meneer, hoe lang woont u al hier?' vroeg ze. Ik: 'Ik woon al sikkom vieftig joar in Dam.' Ze kwam haast niet meer bij van het lachen.'

Wim Ampak: 'Ik woon al sikkom vieftig joar in Dam'

Piet Anthony: 'Mijn vader leerde geen Nederlands. Ja, de taal van de fabriek en van het klaverjassen: 'twintig roem'. In die zin was hij geïntegreerd, want hij kon gewoon meedoen. Wij als kinderen leerden wel Nederlands, en Gronings natuurlijk. Onze ouders verwachtten van ons dat wij ons zouden inzetten voor de Molukken. 'Ga leren, want ze hebben daar diploma's nodig,' zeiden ze. Je moest dokter worden, en als dat niet lukte dan leraar of tenminste lasser. Zij hadden in hun hoofd dat wij terug zouden keren naar hun vaderland.'

Vertrek

In 1959 verhuisden de eersten vanuit de CC-polder naar de Adamistraat in Appingedam, een nieuwbouwwijk waar in totaal 36 huizen bestemd waren voor de Molukkers. Het was de eerste Molukse wijk van Nederland. Een Nederlandse gast: 'De Molukkers die in de Adamistraat kwamen wonen, vormden de eerste groep die ervoor koos om echt te integreren.'
In 1961 werd het kamp in de CC-polder gesloten. Een aantal gezinnen vertrok vrijwillig, maar er waren ook families die weigerden te gaan. Verhuizen naar een echt huis zou immers betekenen dat de terugkeer naar de Molukken nog verder uit het zicht raakte. Ben Rangkoly: 'Ik ging al in Winschoten naar de Mulo en kwam op een middag thuis met de bus. Mijn ouders zeiden: 'We gaan in Appingedam wonen, in een stenen huis. Ik was zo blij! De kinderen waren heel blij.'
Ampak: 'Ineens had je vier slaapkamers, een eigen douche en een eigen wc. In de barakken had je een ruimte waar je alleen met wat panelen een afscheiding kon maken.'
Anthony: 'We stonden een half uur, soms drie kwartier onder de douche.'
Ferdinandus: 'Wij kwamen met zeven kinderen terecht op een flat met 2,5 slaapkamer. Maar we wisten niet beter. En wat een luxe: we hadden een balkon!

Ontruiming

Het wonen in een echt huis mocht een aantrekkelijke luxe zijn, maar voor velen was de verleiding niet groot genoeg. Anitha Hallatu (1955): 'Achttien gezinnen en een aantal vrijgezellen zijn tot het laatst gebleven.' Haar moeder, de van oorsprong Nederlandse Jannie Duit (1938), werkte als kleuterjuf in het kamp en trouwde met een Molukker. Haar gezin werd in december 1961 uit het kamp verwijderd. Duit: 'De eerste families vertrokken naar Appingedam, maar wij zouden naar Delfzijl moeten. Als we eenmaal in een woonwijk kwamen, dan zouden we helemaal nooit meer teruggaan, dus we bleven.'

'We lagen te slapen, het was ongeveer zes uur 's ochtends. Opeens werd er op de deuren gebonsd: 'Eruit! Naar de kerk!' Er was politie, er waren ME'ers, ze stonden daar met hun karabijnen. We trokken snel kleren aan en moesten toen in de kerk blijven wachten totdat onze woningen ontruimd waren. Alles werd ingepakt en uiteindelijk vertrokken we, bewaakt door gewapende mannen, naar Foxhol. Niemand wist waar dat lag en het was al donker toen we daar aankwamen. Het was vlak voor kerst en de wijk was zo nieuw, dat er nog geen stoepen waren. Maar de kachels in de huizen brandden al wel toen we aankwamen.'

Debbie Sopacuperu (1950): 'Mijn moeder lag in het ziekenhuis in Winschoten toen ze hoorde dat het kamp ontruimd was. 'En ik dan?' riep ze.'

<p>Ontruiming van het kamp in 1961.&nbsp;- Foto uit:&nbsp;Teade Smedes, <em>Tussen belofte en teleurstelling bloeide een nieuw bestaan</em></p>

Ontruiming van het kamp in 1961. - Foto uit: Teade Smedes, Tussen belofte en teleurstelling bloeide een nieuw bestaan

De Molukkers toonden opnieuw veerkracht en flexibiliteit en pasten zich aan aan de situatie. Voor de Nederlanders was het soms ook even wennen. Harry van der Klei (1947): 'Ik zat op de middelbare school en van de ene op de andere dag was de halve klas 'zwart', zoals ze dat toen zeiden. Ons werd ook niets verteld, ook niet over de achtergrond van deze Molukse kinderen. We vonden het vreemd. 'Ze stinken naar knoflook,' zeiden we, terwijl we zelf niet eens wisten wat dat was en het nog nooit geproefd hadden. Gelukkig hadden we één leraar, hoofdmeester Kist, die zelf op Nieuw-Guinea was geweest. Hij sprak een beetje Maleis en van toean Kist hoorden we soms wel eens wat. Maar voor de rest bleven ze vreemden voor ons.'

Discriminatie

Ook nadat de Molukkers in stenen huizen terecht waren gekomen, de ongeopende koffers eindelijk waren uitgepakt en de kinderen al groot werden, bleven ze vreemdelingen. Ze waren officieel staatloos, hadden geen paspoort en konden dus niet reizen. Voor de kinderen gold hetzelfde. Ampak: 'Toen ik vanuit de Adamistraat verhuisde, kreeg ik de vraag of ik de Nederlandse nationaliteit wilde aanvragen. Dat heb ik gedaan, maar dat heb ik ook geweten. Ik was net twee weken Nederlander toen de oproep voor de dienstplicht kwam!'

Anitha Hallatu: 'Ik herinner me dat ik eens met een reisgezelschap naar een opera zou gaan, in Duitsland. Bij de grens werd ik eruit gehaald, met mijn roze vreemdelingenpaspoort. Ik mocht Duitsland niet in en moest terug. Dat gaf me zo'n rotgevoel.'

Anthony: 'Gezinshereniging bestond nog niet. De kinderen die daar waren gebleven, mochten niet komen en de ouders mochten, zonder paspoort, ook niet terug. En toen het eindelijk mocht, waren de achtergelaten kinderen al volwassen en hadden die vaak zelf alweer kinderen. Pas vanaf de jaren zeventig konden de ouders af en toe op reis naar de Molukken, op 'oriëntatie' noemden ze dat. Toen mijn vader van zo'n reis terugkeerde, leek hij plotseling een stuk jonger en energieker. 'Ik ga volgend jaar weer!' zei hij, en hij is inderdaad vaker geweest.'

Annet Hully: 'Onze generatie groeide op met frustratie. Met die van onze ouders en ook omdat we zelf als tweederangsburgers behandeld werden. We werden niet serieus genomen en nu vaak nog steeds niet.'

Anthony: 'Zestig procent van de Molukkers van onze leeftijd is wel eens in aanraking geweest met de politie, ook geheel onschuldig. De Molukkers toen waren precies als de Marokkanen nu.'

Ampak: 'Ik ben al jaren schilder. Op een keer was ik bij een klus in Middelstum, een ruitje inzetten. Ik had al een paar keer 'volk' geroepen, maar er kwam niemand, dus ik ging aan het werk. Niet veel later hoorde ik de bewoner. 'Ik ben vast aan gang goan,' riep ik, zonder dat hij mij zag. Toen hij de deur even later open deed, schrok hij: 'Waar is die andere?''

Anthony: 'Mijn dochter heeft een mastertitel, maar in een café wordt ze aangesproken alsof zij de serveerster is.'

Een Nederlandse gast: 'Ik wist niet dat er nog zo gediscrimineerd wordt.'

Annet Hully: 'Het is soms heel subtiel, hoor.'

Erover praten

Ludia Souhuwat wil aan het einde van de avond nog graag een gedicht voordragen. 'Elk mens neemt een deel van zijn verleden mee. Ons geheugen stelt ons in staat beelden uit het verleden op te slaan, terwijl dat verleden niet langer werkelijkheid is. Ik vond een gedicht van Abé Sahetapy, dichter, RMS-activist en maatschappelijk werker.'

Ik was steeds op weg
altijd weer alleen
de stilte om me heen
daar zocht ik al het verleden
een opkomend beeld werd emotie
en een droom verdriet
zo kwam ik almaar niet verder
op de wegen waar ik liep

Saya selalu dalam perjalanan saya
selalu sendirian lagi
keheningan di sekitarku
di sana saya mencari semua masa lalu
citra yang muncul menjadi emosi
dan kesedihan mimpi
dengan begitu saya tidak mendapatkan lebih jauh
di jalan dimana aku berjalan.

Abé Sahetapy

Souhuwat: 'We moeten ons openstellen voor elkaar, dan ziet de wereld er anders uit. Vertellen over je verleden is een stap dichter naar elkaar begrijpen.'

<p>Sprekers en luisteraars tijdens het verhalencaf&eacute; in de bibliotheek van Appingedam. - Foto: De verhalen van Groningen, Duncan Wijting</p>

Sprekers en luisteraars tijdens het verhalencafé in de bibliotheek van Appingedam. - Foto: De verhalen van Groningen, Duncan Wijting