1945-1989

Moluks ’dorp’ in de polder

De weg erheen loopt dood. Aan de rand van Nederland, Hongerige Wolf voorbij, in de Carel Coenraadpolder, doemt uit het niets een plukje bomen op. De volksmond spreekt van het ’Ambonezenbosje’. Het bosje staat naamloos op de kaart, maar heeft een roerig verleden.

Moluks ’dorp’ in de polder

Het Ambonezenbosje in de Carel Coenraadpolder. - Foto: XPeria2day via Flickr

Eerst stampen in 1923 werklozen de CC-polder, genoemd naar Commissaris der Koningin Carel Coenraad Geertsema, uit de grond en hokken daar in barakken. Dan bergt de Nederlandse overheid er na de oorlog NSB’ers op. Met mensenrechten neemt de kampleiding het niet zo nauw. Het kamp is berucht. Het gaat er 'ruig' aan toe, zo berichten maatschappelijk werksters na hun bezoek. Zij rapporteren: "De Carel Coenraad polder is een volkomen Duits kamp. V. (bedoeld is kampcommandant Verdam) zou als hij Duitser was een Oberscharführer zijn. V. gaat er prat op mensen te slaan.’" Weerbarstige NSB’ers legt hij aan de ketting en hij schroomt niet brandende peuken op hun wang uit te drukken. Hij bindt 35 kilo granaten aan hun lichaam om ontvluchten te voorkomen. Als dat ter ore komt aan de autoriteiten (toen het Militair Gezag) wordt Verdam in 1950 tot tien maanden cel veroordeeld.

Ambonezen

Drie jaar later, op 1 september 1953, arriveert een heel andere groep mensen in het uiterste puntje van Groningen. Ruim 300 Ambonezen, gevlucht uit Nederlands Indië, vinden daar een in hun ogen tijdelijk onderkomen. Ver weg van de buitenwereld.

Met koffie en broodjes worden zij in die koude uithoek verwelkomd waarna beheerder Lokken hun barak (A t/m J) aanwijst. De Molukkers voelen zich er na enige tijd thuis. Zij zijn bij en met elkaar en dat voelt vertrouwd, alsof zij nog in hun dorp op Ambon wonen. Zij toveren een barak om tot kerk en een ander tot ziekenzaal, waar zuster Pattiasina tientallen kinderen ter wereld helpt. Ook richten zij een barak in tot schooltje. Twee klaslokalen telt hun school, één voor de laagste klassen en één voor klas drie en vier. Wie doorstroomt naar klas vijf of zes, wordt elke morgen met de schoolbus opgehaald en gaat naar Winschoten. Daar moet ieder kind verplicht schoolmelk drinken. Niet elk Moluks kind is daar gecharmeerd van. Sommige kinderen nemen het kleinst mogelijke kopje mee van huis. Bij tijd en wijle 'logeren' de kinderen een week in gezinnen in Finsterwolde om het Nederlandse gezinsleven te leren kennen en eten wat de pot schaft, dus soms ook stamppot boerenkool.

In het kamp staat heel ander eten op tafel. Bij slager Folkertsma in Finsterwolde kopen de vrouwen bij voorkeur koeienpens en koeienlongen en bereiden die daarna met bananen en steken er stokjes door. De mannen werken soms, maar niet van harte. Van hun loon gaat zestig procent naar het Commissariaat van Ambonezenzorg. In het kamp ontvangen zij drie gulden per week per volwassene en twee gulden per kind onder de eenentwintig.

Vader, moeder en hun zeven kinderen in het kamp. Aan de muur links een wandkleed met een Hollands landschap. - Foto: nazatendevries.nl
Vader, moeder en hun zeven kinderen in het kamp. Aan de muur links een wandkleed met een Hollands landschap. - Foto: nazatendevries.nl

Acte de présence

Voor de schooljeugd in Finsterwolde is het kamp een belevenis. Vooral ’s morgens als de mannen met getrokken sabel op appèl staan en het net lijkt alsof ze zo ten strijde zullen trekken. De Molukkers horen een beetje bij Finsterwolde. Af en toe geven ze acte de presence, treedt het Moluks fluitorkest op of speelt The Maluku Swingers Band een deuntje. En op het voetbalveldje naast het kamp speelt het Moluks elftal tegen de plaatselijke club BNC en verliest krap met 5-3.

De Molukkers hebben het naar hun zin in die uithoek bij de dijk en willen het liefst blijven waar ze zijn, maar Den Haag beslist acht jaar na komst anders. Ze moeten integreren, ze moeten opgaan in de Nederlandse samenleving. Andere Molukse kampen zijn al ontruimd.

Drama

Vier dagen voor kerst 1961 vindt in de CC-polder een drama plaats. Dertig tot de tanden toe gewapende rijkspolitiemannen sommeren de Molukkers het kamp te verlaten. Zij dienen te verhuizen naar een nieuwbouwwijk in Foxhol, maar zij weigeren te vertrekken en trekken zich terug in de kerk. De kampbewoners wensen geen verhuizing en geen assimilatie met de Nederlandse bevolking "omdat voor ons dan voorgoed de kans op terugkeer naar de Zuid-Molukken is verkeken."

Namens de vrouwen in het kamp overhandigt mevrouw Talorima een laatste verzoek: "Laat ons alstublieft hier blijven. Anders willen wij in een telegram de Koningin verzoeken ons allemaal hier in de kerk door een vuurpeloton te laten doodschieten."

Zo ver komt het niet. De politie drijft de Molukkers ’met zachte hand’ uit de kerk en de kampbewoners stappen om tien over vier ’met tranen in de ogen’ in de bussen die hun naar hun rijtjeshuizen in Foxhol brengen. Hun woonoord gaat tegen de vlakte. De tweeëneenhalve hectare wordt volgeplant met snelgroeiend hout. Uitgewist is de herinnering. Slechts een plaquette in het groen duidt op ooit een Moluks ’dorp’.