Hannekemaaiers: arbeidsmigranten zijn van alle tijden
Het is eigenlijk een natuurlijk verschijnsel. Als er op de plek waar je bent niet voldoende te halen is, dan verhuis je naar een beter oord. Dieren doen dat, mensen ook. De wierdebewoners trokken van de zandgronden naar de grazige vruchtbare kwelders, met schepen verkenden we overzeese gebieden, enzovoort. We hebben er spreekwoorden voor, zoals: wat je van ver haalt is lekker, het gras is groener bij de buren.
Wie ook op het gras bij de buren afkwamen, waren de Oost-Friezen, Münsterlanders en Westfalen. Nederland werd in de 17e eeuw een bloeiende natie en door de rijkdom lagen de lonen hier hoger dan in de door armoede en werkloosheid geteisterde Duitse gebieden. Duitse arbeiders kwamen bij duizenden naar Nederland om hier in de zomermaanden de graslanden te maaien. Zij werden In het algemeen ‘hannekemaaiers’ genoemd. Deze naam is afkomstig van Sint Johannesdag (24 juni), de dag waarop hun werk traditioneel startte. Zij hadden echter vele namen, zoals: poepen (afkomstig van Bube), grasmoffen, Hollandgangers, pikmaaiers (een pik was een korte zeis), trekarbeiders. De Groningers noemden de hannekemaaiers ook Veelns (enkelvoud Veelnk) vanwege het feit dat zij vaak uit Westfalen kwamen.
De hannekemaaiers waren veelal ongetrouwde boerenzonen. Hun oudste broer erfde het bedrijf en zij moesten, met een kleine afkoopsom, zelf een nieuw bestaan opbouwen. Zij reisden te voet naar alle delen van ons land. Een groot aantal ging ook eerst te voet naar een haven en van daaruit verder per schip. In Amsterdam kwamen zij dan aan bij de Oude Brug, die daardoor ook de naam ‘Moffenbrug’ droeg. In Amsterdam verrichtten zij ook handwerk en monsterden zij veelal aan op VOC-schepen. Omdat de voetreis lang en door struikrovers gevaarlijk was, reisden de mannen in grote groepen die zich op vaste plaatsen verzamelden. Zo ontstonden vanzelf routes die elk jaar opnieuw genomen werden. De noordelijke route liep tussen de Dollard en het Bourtangerveen door naar Groningen en Friesland. De reis terug was in het najaar zeer zwaar. Velen waren uitgeput door het zware werk dat zij maandenlang verricht hadden en bezweken op de terugweg.
De hannekemaaiers werden niet alleen ingezet bij het maaien en hooien, maar werden ook voor de oogst en het boerenwerk aan het werk gezet. Voor de turfwinning gingen zij als turfstekers de veengebieden in. De derde tak waarin zij, vooral in Groningen, werkten was de baksteenindustrie. De steenbakkers kwamen vooral uit het Vorstendom Lippe. Zij stonden bekend als Lipschers of Lipskers. In Delfzijl is in de wijk met straatnamen uit de steenindustrie een straat naar hen genoemd.
Omdat de trekarbeiders behalve hun gereedschap, zoveel mogelijk spullen (lappen, kleding, proviand) meetorsten die zij hier ook konden verkopen, gingen sommigen ertoe over niet meer te maaien, maar spullen uit Die Heimat hier te verkopen, zij droegen hun koopwaar in kisten op hun rug en stonden zodoende bekend als kiepkerels. Sommigen, die zich in de negentiende eeuw toelegden op het verkopen van textiel, de lapkepoepen, hebben het ver geschopt. Zij konden hier voet aan de grond krijgen en een goed bestaan opbouwen, zoals de broers Clemens en August Brennikmeijer (C&A), de zwagers Vroom en Dreesmann (V&D), Voss en Burmann om maar een paar te noemen.
Dom en vies?
De hannekemaaiers stonden over het algemeen bekend als oerdomme en vieze lui. K. ter Laan vermeldt in zijn Groninger Woordenboek:
Ondanks dat zij dom en vies waren, bleken ze toch in trek. Velen van hen hebben een Nederlands meisje aan de haak geslagen. Naar schatting hebben zo’n 140.000 hannekemaaiers zich hier in de negentiende eeuw gevestigd.
De rollen omgedraaid
Aan het einde van de negentiende eeuw lopen de aantallen hannekemaaiers terug. Enerzijds doordat het er in Duitsland beter voorstond en dichter bij huis werk te vinden was; anderzijds doordat door de opkomende mechanisatie minder arbeiders nodig waren. Daardoor liep hier de werkloosheid op. Dagblad De Tijd schrijft in 1896:
En het Nieuwsblad van het Noorden meldt in 1904:

