Wadden en water

1945-heden

Werken aan de afsluiting van de Lauwerszee

Arie Groen groeide op in het dorp Vierhuizen, toen nog gelegen aan de Lauwerszee. Het was nog de tijd van zwemmen, ‘botprikken’ en ‘roetmennen’ Na zijn diensttijd keerde hij terug naar zijn geboortedorp. Hij ging er in 1968 aan de slag bij de aanleg van de afsluitdijk van de Lauwerszee en was betrokken bij de wegenaanleg. Later ging over naar Provinciale Waterstaat, waar hij behalve voor de wegen ook werkte bij het onderhoud van de haven met alles wat daarbij hoorde.

Werken aan de afsluiting van de Lauwerszee

Asfaltering van het talud van de afsluitdijk van de Lauwerszee. - Foto: Beeldbank Rijkswaterstaat

'We gingen altijd achter de dijk zwemmen, dat was toen nog gebruikelijk. We gingen het huis uit rechtdoor de polder in en daar gingen we zwemmen. Dat was wanneer het vloed werd; daar hield je wel een beetje rekening mee. Nou, ‘zwemmen’: zo diep was het vaak niet. Dan gingen we tussen de rijsdammen zwemmen. Die rijsdammen waren een onderdeel van de landaanwinning door Rijkswaterstaat. Daartussen zaten, om het water af te voeren, hier en daar gaten die vrij diep waren en daar kon je dan zwemmen.'

'Mijn vader heeft heel veel aan botprikken gedaan. Dan gingen ze met een man of drie, vier, soms met twee ploegen, als het eb was, een eindje verder op het wad een net uitzetten. Die manier van vissen vond geregeld plaats achter de hele Westpolder en vervolgens een paar honderd meter tot een kilometer het wad op, buiten de dijk in de prielen. Ze liepen voor de stroom mee om de botten met de ‘prik’ (een vork met scherpe, van weerhaken voorziene, tanden) op te jagen en dan zo in de netten te drijven. Soms ving je ook wel een bot aan de prik; die was dan gewoon doorboord. Meestal kwamen ze wel met een maaltje vis thuis.' 

'Als het een keer hoog water was bleef er altijd een hoop hout liggen achter de dijk. We gingen dan wel met de boer mee die aan het ‘roetmennen’ (Ned.: ‘ruit mennen’: het opruimen van afval en onkruid van de voet aan de buitenzijde van de dijk) was. Alle rommel van werd de buitenkant weggehaald, want anders gingen de graszoden eronder dood. Van ‘achter de dijk’ moest alles naar de binnenkant van de dijk gebracht worden. Wij voeren dan vaak met de sleep mee. Dat was in onze kindertijd een vrij aardig gebeuren.
Op de dijk mochten de boeren schapen houden; geen koeien of paarden want die vertrapten de boel. Schapen deden dat niet, die trapten de grond mooi aan en die hielden het gras kort. Dat laatste was ook belangrijk, want anders gingen de zoden eronder ook dood.'

Bij de Lauwerszeewerken

Toen ik uit militaire dienst kwam, had ik geen werk. Thuis hadden wij een kostganger: toen ik nog ‘uit huis was’, kon hij op mijn bed slapen, maar toen ik weer teruggekomen was, ging hij weg. Hij heeft er wel voor gezorgd dat ik bij de Lauwerszee aan de slag kon als een van zijn assistenten. Dat was de ‘Lauwerszeewerken’, een aannemerscombinatie van vier grote aannemers van weg- en waterbouw: Dirk Verstoep, Zanen Verstoep, Verhoeven en Van Hattum en Blankevoort. Dat waren echt de ondernemingen van die oude baggeraars. Degene die het asfalt achter de dijken maakte, was een toenmalige wegenbouwer, Offringa, met de ‘Asfaltcombinatie Waddenzee’.

'Mijn werkzaamheden bestonden uit het opmeten van de dwarsprofielen en het uitzetten van bochten. Dan moet je eerst een lange lijn met ‘perkoenpalen’ plaatsen en daarna weer terugmeten tot die mooie bocht in de Rijksweg met paaltjes was uitgezet. ‘Perkoenpalen’ zijn korte paaltjes die je in de grond moest zetten en van daaruit kon je een bocht uitmeten. Elke keer een paar centimeter verder en dan kreeg je hele mooie bochten.'

'Voor de aanleg zelf werd een ‘zandlichaam’ opgespoten met een zandzuiger. Dat was de ‘zuigerstort’. Die kwam van de zandzuigers af. Er lag een persleiding van 60 centimeter in doorsnede naar zee. Zo is ook de woonkern van Lauwersoog opgespoten en we hebben later ook nog een paar grote zanddepots, je ziet ze nu niet meer, geplaatst vlak langs het Robbengat, een stuk of drie. Die zijn later nog verwerkt in de weg.Als dat klaar was, werden er bepaalde vakken afgezet en dan moesten ‘zakbakens’ worden geplaatst (om te meten hoeveel het zand was gezakt ten opzichte van het gewenste maaiveld) en telkens moesten die dan weer wat opgehoogd worden. Zo zagen we precies hoeveel zand er nog bij moest, of dat het genoeg was. Later kwam de bulldozer om het af te werken.'

'Bij dat opgespoten zand moest je wel uitkijken waar je liep. Het was wel vrij vertrouwd als we bij de monding van de buis stonden. Maar er is ook een keer een Caterpillar, een bulldozer, weggezakt in het zand, dus die moest even uitgegraven worden later. Ik hoorde toen ook een verhaal over een van de uitvoerders. Die was even bezig bij het zandlichaam, maar had er geen verstand van en die kwam op verkeerde plekken terecht en die zakte zo weg. Hij kon er zelf weer uitkomen, maar hij kreeg direct op staande voet ontslag.'

'Bij bij de uiteinden (voet van de dijk) werden dammen geplaatst. Daar kwam een ‘zinkstuk’ tegenaan. Die ‘zinkstukken’ bestonden uit geweven doek, waarop ‘wiepen’, dat waren bundels rijshout met een touw eromheen gevlochten, werden gemonteerd in de lengte en overdwars. Zo kreeg je ongeveer vierkantjes en daar werd de stortsteen tussen gestort. Daar werd vervolgens gelijkmatig stortsteen op gestort om het zinkstuk tot zinken te brengen. Zo’n zinkstuk was tegen het wegspoelen van het zandlichaam. Daarop werden koperslakblokken gelegd en daarboven kwam weer een laag asfalt. Daar weer boven, een paar meter onder de kruin van de dijk, volgde klei, dat alles werd allemaal bovenop het zandlichaam geplaatst. Dat gebeurde een ze zeezijde, maar ook aan de binnenkant, want daar had je toen ook nog eb en vloed. Later, toen de caissons erin lagen, was dat niet meer nodig.'

'Veel van de mannen van de Lauwerszeewerken waren in de kost in de omgeving, maar op Lauwersoog was een heel kamp. Ze hadden een eigen keuken en bleven een hele week. Die mensen op de zandzuigers die sliepen daar op het schip. Er waren ook mensen die gingen vanuit Friesland elke dag met de boot naar Oostmahorn, die werden heen en weer gebracht. Je maakte lange dagen: van ’s morgens half zeven tot ’s avonds half zeven of zeven uur. Maandagmorgen begin je wel wat later, meestal een uur of twaalf. Er waren veel mensen die kwamen uit de Biesbosch, Sliedrecht en dergelijke. De steenzetters kwamen hoofdzakelijk uit Urk. Voor die koperslakblokken, dat waren ‘zware jongens’ van wel 125 kilo, waren sterke kerels nodig.'

Provinciale Waterstaat

'In het Lauwerszee- en meergebied heb ik heel wat ontwikkelingen meegemaakt. Ik ben er in ’68 gekomen en in ’96 weer weggegaan dus. In ’72 liep het werk zo’n beetje af. Toen werd ik gevraagd om bij de Provinciale Waterstaat te komen, hadden mensen nodig, want zij namen toen het onderhoud van de haven en de wegen over van het Rijk.'

'Het werk in de haven was onder meer het onderhoud van de steigers, verlichting en dergelijke. De vissers die kwamen daar vaak met de kapotte netten en die moesten wij weer opruimen. Dat gold ook voor de rommel nadat er hoogwater was geweest. Dat bleek goed na de eerste keer dat de kade onder water kwam te staan. Nou, dat zou maar één keer in de vijftig jaar gebeuren, maar ik geloof dat we het drie keer per jaar meegemaakt hebben. En nu gebeurt het nog vaker.'

<p>De haven van Lauwersoog in 1976. - Foto: collectie Jan van der Veen</p>

De haven van Lauwersoog in 1976. - Foto: collectie Jan van der Veen