Wadden en water , Boerderijen in beeld , Verhalen uit de regio

1648-heden

Rijke kwelders

Ooit was een groot deel van Noord-Groningen blootgesteld aan eb en vloed. Hier lagen kweldergebieden waar wierden werden opgeworpen. Tot ver in de 20e eeuw leverden de kwelders rijkdom op voor de eigenaren en gebruikers. Dat blijkt duidelijk omstreeks het midden van de 19e eeuw. De bezitters van grote kwelderoppervlakten, maar ook van de polders, behoorden toen tot de rijkste inwoners van de provincie Groningen.

Rijke kwelders

Koeien en schapen grazen ook vandaag nog in de Groninger kwelders, zoals hier bij Westpolder. – Foto: Froukje Kist

Buitendijkse gebieden als kwelders waren winstgevend door er vee op te laten weiden, maar dat geldt ook voor kwelders die waren ingedijkt tot polders en beplant met gewassen als koolzaad en granen. Wat de top 50 van rijke Groningers omstreeks het midden van de 19e eeuw betreft, vormen de 'oude' kleigebieden in Hunsingo en Fivelgo wat rijke boeren betreft witte vlekken op de kaart. Dat geldt ook de armere gronden in de Woldstreek, de Veenkoloniën en in Westerwolde, maar ook het zuidelijk gedeelte van het Westerkwartier. In het gebied dat aan zout water grenst: bij de Dollard, het Oldambt, het Hogeland, maar ook het noordelijk Westerkwartier, leverden niet alleen de polders, maar ook de kwelders rijkdom op.

Astronomische pachtprijs

Hoe rijk die kwelders konden zijn, blijkt uit een zogenaamd ‘kwelderboekje’ uit het Westerkwartier. Het boekje dateert van 1877 en is afkomstig van Jeen Geerts Sytsma, die in 1865 was gehuwd met Reinardina Hofman. De familie Sytsma stamt uit Grijpskerk. Jeen Sytsma pachtte in de laatste helft van de 19e eeuw de ‘stadsplaats’ (eigendom van de stad Groningen) ‘De Stadspol’ op het Ruigezand. Bij deze boerderij behoorde bijna 39 hectare land, maar ook maar liefst 430 (!) hectare kwelder op de ‘Plaat’, gelegen tegenover Zoutkamp, dan vallend onder de gemeente Oldehove.

De pachtprijs van het gehele bedrijf was voor die tijd astronomisch: maar liefst 6000 gulden per jaar. Dat was een bedrag waarvan in die tijd een heel groot herenhuis kon worden gebouwd of dat vergelijkbaar was met tien jaarlonen van een arbeider. Toch is deze pachtprijs wel reëel voor die tijd. Uit het ‘kwelderboekje’ blijkt, dat er alleen al goed geld te verdienen was met het laten grazen van vee op de uitgestrekte kwelders. Dat leverde alleen al waar het koeien betrof jaarlijks enige duizenden guldens op, waarmee het pachtbedrag al bijna goed werd gemaakt. En daarbij kwamen dan ook nog schapen en paarden die op de kwelder ‘gestald’ werden. En bovendien had Sytsma ook nog zijn eigen landbouwbedrijf op het Ruigezand.

<p>Schapen op de dijk. - Foto: Xperia2day via Flickr</p>

Schapen op de dijk. - Foto: Xperia2day via Flickr

'Vetweiden'

Bij de koeien die op de kwelders graasden, ging het om het zogenaamde ‘vetweiden’. De beesten konden zich in het zomerseizoen tegoed doen aan de malse gewassen op de kwelders. Het ging daarbij vooral om ‘hokkelingen’(eenjarige runderen) en tweejarige dieren. Hetzelfde gold voor de paarden. Bij de runderen is een bijzonder detail de vermelding om wat voor soort het gaat: overheersend is het zwartbont, daarnaast is een gedeelte roodbont en – in mindere mate – ‘vaalbont’ en ‘blauwbont’. Deze laatste beide kleurvarianten kwamen – het is nog voor de invoering van het rundveestamboek – redelijk algemeen voor, maar zijn nu zeldzaam.

Opdat de eigenaren weer de juiste dieren terug zouden krijgen, waren ze gemerkt. Ook in die tijd waren er al ‘oormerken’, maar uiteraard nog niet van plastic. De toenmalige merktekens bestonden uit een gaatje of meerdere , variërend in grootte’ en vorm, of een dito knip in een – gedeelte van – een oor, of beide oren. Enkele runderen droegen een naambordje om de hals. Ook worden bij sommige dieren details over hun ‘tekening’ (vlekken) vermeld. De paarden hadden geen oormerken, maar werden vooral onderscheiden op grond van hun kleur en tekening.

'Marginale gronden'

De runderen die op de kwelders van de ‘Stadspol’ weidden, waren deels afkomstig uit de nabije omgeving, zoals Oldehove en Kommerzijl en wat verderop: Ee, Paesens en Anjum. Er is ook vee van Noord-Friesland: Stiens, Hallum en Ferwerd en aan overzijde van de Lauwers: Vierhuizen. Maar er waren ook vele dieren afkomstig uit de meer ‘marginale’, gronden, de schralere weidegebieden in Friesland, vooral de Friese Wouden, maar ook in het Groninger Westerkwartier. Daarbij gaat het om Friese dorpen als Kollum, Buitenpost, Augustinusga, Twijzel, en in Groningen Oldekerk, Grootegast, Ooster- en Westerzand, Sebaldeburen, Doezum, Lucaswolde en Marum. De paarden kenden een minder ruime geografische verspreiding. Zij waren vooral afkomstig uit Noordwest-Groningen en Noordoost-Friesland.

Stalling en betaling

Het vee dat op de kwelder geweid werd, werd meestal gebracht in de eerste helft van mei, daarna druppelde het nog enigszins door in de tweede helft van mei. Enkele dieren volgden nog in de loop van de maanden juni tot en met september.

De afrekening, dat wil zeggen de betaling aan Sytsma, vond over het algemeen plaats na medio oktober, vooral na de 20e en ging gestaag door tot medio november. Dan zal het vee in ieder geval al zijn opgehaald door de eigenaren. In de 19e eeuw ging het vee pas in november de stal in. Dat er ook al vee werd geëxporteerd naar Holland, of – via Harlingen – naar Engeland, is zeer wel mogelijk.

 

bronnen:
Groninger Archieven – familiearchief Sytsma en Poll
Richard Paping, Voor een handvol stuivers (Groningen 1995)
J.J. Spahr van der Hoek, Geschiedenis van de Friese Landbouw (Leeuwarden 1952)

<p>Koeien en schapen grazen ook vandaag nog in de Groninger kwelders, zoals hier bij Westpolder. &ndash; Foto: Froukje Kist</p>

Koeien en schapen grazen ook vandaag nog in de Groninger kwelders, zoals hier bij Westpolder. – Foto: Froukje Kist