Van Adorp tot Zuurdijk

1945-1989

Mijn oma's gevleugelde woorden

Mijn oma uit Veendam sprak Gronings op de Veendammer wijze. Ze zei geen hoes, maar huus; geen toen, maar tuun; geen jou, maar ie. Ze was de enige in de familie die het Groninger dialect sprak. Ik probeerde haar zoveel mogelijk te imiteren. Als oplettende toehoorder heb ik zo het Groninger dialect geleerd op zijn Veendammers.

Mijn oma's gevleugelde woorden
De Kerkstraat in Veendam, ca. 1928 - Foto: M.D. de Lange, www.beeldbankgroningen.nl (1986-17917)

Ook inhoudelijk vonden we oma komisch, hoewel ze er zelf absoluut niet om hoefde lachen. Begin jaren ’50 was ik eens op bezoek bij mijn grootouders in Veendam en oma vertelde over vroeger. Zo had ze het over Friese staartklokken, waaraan ze refereerde als “dij olle klokken”. Ik vond ze altijd erg mooi en ze waren zeer kostbaar. In het begin van haar trouwen had ze ook een Friese staartklok gehad, maar toen ze hoorde dat boeren in Muntendam “dij olle klokken” in het diep gooiden, kwam haar zakeninstinct boven. Zij was verstandiger geweest en had “dij olle klok veur f 2,50 verkocht!"

Hypotheek voor armoedzaaiers

Haar levensmotto was: zoveel mogelijk geld ontvangen en zo weinig mogelijk uitgeven. Ook wel begrijpelijk: vanuit de arbeidersstand hadden opa en oma zich opgewerkt tot bemiddelde middenstanders met eigen zaak en huizen. Deze huizen werden vroeger door opa direct contant betaald. Een hypotheek was voor armoedzaaiers. De verzorgingsstaat bestond nog niet. Daarom was oma’s kijk op geld uitgeven heel anders dan bij haar kinderen en kleinkinderen.

Toen in de jaren vijftig sommigen een auto kochten en wij vol bewondering toekeken, zei oma: “Ach jong, als ’t betaald is, is ’t mooi!” Ook vond ze een uitgave voor een auto niet erg verstandig: ”Ach jong, zo’n auto staat renteloos aan de weg te roesten”. Wanneer mensen mooie en dure dingen kochten, lachte ze in haar vuistje: ze waren mooi hun geld kwijt, terwijl zij op de bank juist steeds meer kreeg.

Nait goud

Ook haar gezondheid ging haar zeer ter harte. Toen mijn moeder de visite van opa en oma grondig had voorbereid: schoonmaken, inkopen, warm eten maken (een zondagse maaltijd!), ging de telefoon bij de buren. Opa en oma kwamen niet: “Ik ben lang nait goud”, zei ze dan altijd en “ik heb mien gestèl laiver”.

25 oude centen

Toen ik vol trots vertelde dat de buurtwinkel ging verbouwen, zei ze: “Ach jong, t zal wel een noodsprong wezen!”

Van mijn oma in Stadskanaal kreeg ik vaak een zilveren rijksdaalder of soms f 10. Daar werd verder nooit over gesproken. Bij verjaardagen zei oma Veendam tegen haar gesprekspartner: “Ik heb de kinder een poar cent’n toustopt.” De gulle gift bedroeg dan in het gunstigste geval 25 oude centen. Zo liet oma aan anderen weten hoe goed ze voor ons was!