Borgen: kastelen van het hoge noorden

1300-heden

Welgelegen: hofstede met uitzicht op het veen

" 't Eertijds geringe, doch nu heerlijck Sappemeer", zo schreef Quinten Pabus in 1741. Hij vervolgde: "Voor heenen slegts moeras en waater, weeke sompen". Moeras en weke zompen, zo zag de omgeving van Sappemeer er eeuwenlang uit. Ten oosten en zuidoosten van de stad Groningen strekte zich het grootste hoogveengebied van Europa uit. Een eindeloos landschap van golvende heidevelden, meren en riviertjes, met hier en daar bosjes met berken, wilgen en struikgewas. Wegen waren er niet. In de meters dikke lagen veen kon je wegzakken en voor altijd verdwijnen. Maar deze wildernis herbergde wel een onvoorstelbaar grote economische rijkdom: turf.

Al in de vroegste tijden hadden de kustbewoners in onze streken ontdekt dat het gedroogde veen brandbaar was. En zo werd vanaf de randen van het veen turf gewonnen. Dat ging eerst mondjesmaat, maar vooral toen de stad Groningen in 1594 op de Spanjaarden werd heroverd kwam de turfwinning in een stroomversnelling. Er werd een begin gemaakt de venen systematisch te ontginnen, of aan snee te brengen. In opdracht van de stad werd een kanaal aangelegd dat in 1618 het Sappemeer of Duivelsmeer bereikte. In 1621 vestigden de eerste verveners zich in Sappemeer.

Turfsteken

Het grootschalig ontginnen van het veen was een geweldige operatie. Door greppels in het veen te graven kon het overtollige water afgevoerd worden. Daarna moest de bovenlaag, de bonkaarde worden afgegraven en opzij gelegd. Dan kon het eigenlijke turfsteken beginnen. Nadat de bruikbare turf was afgegraven werd de bonkaarde op de onderliggende zandbodem gebracht en daarmee vermengd. Vervolgens moest deze bodem gedurende vele jaren intensief bemest worden om als landbouwgrond geschikt te zijn. Deze hele operatie vergde enorme investeringen en de inzet van grote aantallen arbeidskrachten vordat er geld verdiend kon worden. Voor particuliere verveners was dat een te grote inspanning. Daarom werden er ondernemingen of compagnieën opgericht die voldoende kapitaal hadden om de tijd tot er geld verdiend kon worden te overbruggen.

Borger Compagnie

In 1647 richtten burgers van de stad Groningen de Borger Compagnie op die de venen ten zuiden van Sappemeer zou ontginnen. Hun concessie lag ten oosten van de Oude Friesche Compagnie, Kalkwijk. Het Borgercompagniester Diep werd vanuit het Winschoterdiep in zuidelijke richting het veen in gegraven. De eerste percelen die waren afgegraven werden verhuurd aan boeren die het land in cultuur brachten. Ook enkele van de burgers vestigden zich in het nieuwe land. Westelijk van het Borgercompagniester Diep vestigden zich in 1655 twee van hen op een plaats waar later het buiten Woelwijk werd gebouwd. Aan de andere kant van het diep bouwde Jan Cornelis Spiel een hofstede, Welgelegen. Dat was niet het enige buiten. Op tal van plaatsen in de Veenkoloniën werden prachtige huizen met fraaie tuinen, de zogenaamde veenborgen gebouwd.

Welgelegen

Welgelegen ligt dus aan de oostkant van het Borgercompagniester Diep en aan de zuidkant van het Kleinemeerster Diep. Het huis had een appelhof en een siertuin. Naast de boomgaard werd een schuur met een kamer gebouwd voor de meier die de landerijen bewerkte. Welgelegen werd omringd door een gracht die ook de siertuin omringde. Boomgaard en boerderij lagen erbuiten. Tegenwoordig is de appelhof verdwenen, maar het omgrachte erf met siertuin en huis bestaat nog steeds.

Wartensleben

Welgelegen werd in 1736 gekocht door een Duitse officier van het regiment Oranje-Friesland graaf Carl Friedrich von Wartensleben. Wartensleben was getrouwd met Wendelina Cornera Alberda van Menkema. De nieuwe eigenaren verbouwden Welgelegen ingrijpend. Ook de siertuin werd overeenkomstig de heersende mode als baroktuin ingericht. Rondom het huis werden bomenrijen geplant om een bescherming tegen de wind in het kale Veenkoloniale landschap te bieden. Wartensleben speelde een belangrijke rol in de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748). Hij bracht het zelfs enige tijd tot kamerheer van keizerin Maria Theresia in de rang van luitenant-generaal. In 1746 overleed zijn vrouw waardoor Welgelegen werd geërfd door de broer van Wendelina Alberda, Unico Allard Alberda van Menkema en Dijksterhuis. Deze verkocht in 1747 Welgelegen aan luitenant-kolonel Wilhelmus Lichtenvoort voor 3000 Carolusguldens.

Star

Willem Lichtenvoort woonde met zijn vrouw Reynouw Gesina Star op Welgelegen. Lichtenvoort stierf in 1799. Welgelegen werd al in 1771 overgedragen aan zijn zoon Cornelis Star Lichtenvoort. Cornelis Star Lichtenvoort was na een lang verblijf in West-Indië in 1768 naar de Republiek teruggekeerd en vestigde zich als advocaat in Groningen. Hij trok bij zijn vader , die inmiddels weduwnaar was, op Welgelegen in. Cornelis droeg dus de familienaam van zijn moeder die achterkleindochter was van admiraal Enno Doedes Star. Admiraal Star had nog met Michiel de Ruyter de beroemde 'Tocht naar Chatham' meegemaakt. Ook de kinderen van Cornelis Star Lichtenvoort droegen de naam Star. Zo ontstonden de families Star Busman, Star Nauta en Star Numan.

Woelwijk

Zoals gezegd, tegenover Welgelegen aan de overkant van het Borgercompagniester Diep lag het fraaie buiten Woelwijk. In 1770 kocht Cornelis Star Lichtenvoort Woelwijk, maar ging er niet wonen. Hij liet Woelwijk in de komende jaren afbreken en heeft waarschijnlijk de stenen gebruikt om een aanbouw aan de achterzijde van Welgelegen te bouwen. Deze aanbouw was nodig omdat Star Lichtenvoort en zijn vrouw zes dochters kregen. Een opvallend detail is ook dat twee 'zwarten' die de familie op Curaçao hadden gediend, ook op Welgelegen woonden. 

Verval en verwaarlozing

Rond 1800 veranderde er onder invloed van de Franse revolutie veel in Groningen. Het hele oude bestuursstelsel verdween. Veel families die lange tijd de dienst uitmaakten verloren inkomsten uit rechtspraak en bestuurstaken. Het bezit van borgen en buitenhuizen werd voor velen een onbetaalbare zaak. Veel veenborgen werden afgebroken. Welgelegen ontsnapte aan dit lot omdat de familie Star Lichtenvoort er gedurende de gehele 19e eeuw is blijven wonen. De laatste telg uit dit geslacht overleed kinderloos in 1900. De erfgenamen zetten het landgoed te koop. Aeilko Edzes, een boer die een bedrijf schuin tegenover Welgelegen had, kocht het huis. Hij ging er niet wonen. Gedurende de Eerste Wereldoorlog woonden er vluchtelingen. Het huis was inmiddels erg verwaarloosd en raakte steeds verder in verval. In 1915 leek verkoop met de bedoeling Welgelegen te slopen de enige uitkomst. Als reddende engel meldt zich op het laatste nippertje Mr. C.A. Star Numan. In 1918 koopt hij Welgelegen, nadat hij het al enige jaren had beheerd. 

Restauratie

Star Numan zorgde voor een grondige restauratie van de borg. In feite krijgt het huis weer het uiterlijk zoals dat rond 1740 was. Al in 1917 bewoonde de zuster van Star Numan, Catharina Cornelia, de borg. Haar man was Mr. Evert Jan Thomassen à Thuessink van der Hoop van Slochteren die burgemeester van Sappemeer was. In 1925 werd hij burgemeester van Slochteren en verhuisde het gezin naar de Fraeylemaborg in Slochteren. Welgelegen werd daarna aan anderen verhuurd. 

In 1966 verkocht de familie Thomassen à Theussink Welgelegen aan de John Welch Loge van de Odd Fellows. Deze loge heeft samen met Monumentenzorg en de gemeente Hoogezand-Sappemeer gezorgd voor een zeer zorgvuldige restauratie van zowel het huis als de tuin.