Kastelen van het Noorden

1648-1815

Vijf eeuwen Allersmaborg

De Allersmaborg is gelegen aan de Allersmaweg 64 in Ezinge en dateert oorspronkelijk uit de 14e eeuw. Hij werd in de 18e eeuw uitgebreid met een grote tuin en een boomgaard. De naam van het huis is ontleend aan die van de familie Allersma, die er ruim een eeuw woonde. 

Vijf eeuwen Allersmaborg
De gerestaureerde Allersmaborg

Gedurende ruim een eeuw is de familienaam Allersma met de Allersmaheerd verbonden. Er bestond bij de Allersma’s een grote voorkeur voor de voornamen Duurt (of Duirt) en Sirp (of Seerp). In veel gevallen zijn de Allersma’s grietman of zijlrechter en waren ze principaal collator; gerechtigde tot het kerkbeheer.

De laatste Duurt Allersma die de borg bewoonde had geen mannelijke erfgenaam. In een testament in 1588 vermaakte hij de Allersmaheerd aan zijn neef Sirp Elema of Elama, te aanvaarden na de dood van Duurt. 

Rond 1650 liet Duurt Elema van Allersma een gracht met singels en een ophaalbrug aanleggen, waardoor het huis het aanzien van een borg kreeg.
Rond 1650 liet Duurt Elema van Allersma een gracht met singels en een ophaalbrug aanleggen, waardoor het huis het aanzien van een borg kreeg.

In 1610 is Sirp Elema eigenaar van de Allersmaheerd. De boerderij bezit dan 104 grazen land. Verder bezat Sirp nog de Hummersmaheerd in Ezinge, groot 44 grazen, en de Elemaheerd van zijn ouders in Uithuizen, groot 50 grazen. Sirp stierf in 1625. Zijn zoon Duurt Elema was toen zeven jaar oud. Uiteindelijk erfde hij de plaats. Duurt Elema was lid van de Provinciale Rekenkamer van Stad en Lande en in 1671 werd hij gedeputeerde van Stad en Lande. Verder was hij nog meermalen grietman in Ezinge en Hardeweer en bekleedde hij hoge ambten bij het Aduarder Zijlvest. Duurt Elema noemde zich Elema van Allersma. In zijn tijd is de naam Allersmaborg in zwang gekomen. Het was niet langer een deftige hofstede, maar een buitengoed met singels en lanen.

Verervingen

Duurt Elema van Allersma overleed in 1682 of 1683. Geen van zijn acht kinderen overleefde hem en hij had geen testament gemaakt. In 1683 erfde Dr. Reneke Busch de Allersmaborg. Busch was raadsheer en werd in 1686 burgemeester in Groningen. In 1710 erfde zijn dochter Johanna, weduwe van Johan de Marees de borg. Er hoorden toen 122 grazen land bij. Johanna stierf in 1720, waarna haar zoon Reneke Busch de Marees de borg erfde. Ook hij was raadsheer en later burgemeester van Groningen. Reneke Busch de Marees stierf in 1763. Zijn dochter Johanna de Marees van Swinderen erfde. Zij was gehuwd met Mr. Albert Hendrik van Swinderen. Na diens dood in 1802 kwam de Allersmaborg in handen van zijn zoon Mr. Reneke de Marees van Swinderen. Hij werd in 1817 jonkheer. In 1848 vererfde de borg op zijn kleinzoon Jhr. Mr. Reneke Meinard Adriaan de Marees van Swinderen. Hij was 46 jaar notaris in Ezinge en zeer geliefd in de wijde omgeving. Toen hij overleed in 1899 waren zijn twee echtgenotes en kinderen al overleden.

Sloop?

Gedurende vijf eeuwen was de Allersmaborg steeds door vererving van eigenaar gewisseld. Nu was er geen erfgenaam meer voor het huis. De borg werd voor het eerst buiten de familie verkocht. De bedoeling was dat het huis gesloopt zou worden. In de Groninger volksalmanak van 1901 verscheen een artikel van Mr. J.H. Feith, waarin de auteur een vlammende klacht tegen de voorgenomen sloop richtte. In het grotendeels boomloze landschap van Groningen waren de zeldzame landgoederen met hun lanen en singels, grachten en tuinen zo belangrijk, dat de sloop van een dergelijk object verwerpelijk zou zijn.

Gelukkig is het niet zo ver gekomen. Voordat de slopers aan de slag konden gaan werd het huis gekocht door notaris Jan Willem Bolt. In 1913 werd het huis gekocht door H. van Veen, die ook notaris in Ezinge was. De toestand van huis en tuinen is dan niet fraai. In 1912 omschreef de beroemde historicus Johan Huizinga Allersma als ´die kommerlijke borg´. In de jaren dertig werd de borg gekocht door Olfert de Boer, een rentenierende landbouwer uit Garnwerd. Hij liet tuinen en huis weer opknappen.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog was de Allersmaborg een geliefde plek voor dagjesmensen uit Groningen. Ook kregen onderduikers er onderdak. In 1946 kwam  de Allersmaborg in het bezit van de gemeente Ezinge. De borg was in de jaren vijftig een gewaardeerd toevluchtsoord voor kunstenaars, zoals de vereniging De Linetreckers onder leiding van Ploeg-schilder Johan Dijkstra. Omdat er te weinig geld voor onderhoud beschikbaar was, verviel de borg.

Eén gulden

In 1970 kocht Staatsbosbeheer het landgoed voor één gulden. In 1976-77 restaureerde Staatsbosbeheer de borg tot de staat waarin het in de 19de eeuw verkeerde. De borg werd verpacht aan de Groninger Borgen Stichting. Die verhuurde de borg aan de kunstenares Annie Vrieze die er dertig jaar woonde en werkte en regelmatig exposities organiseerde. 

In 2005 kreeg de Rijksuniversiteit Groningen de Allersmaborg voor een periode van dertig jaar in erfpacht. De universiteit zorgde voor een opknapbeurt en sinds 2006 is de borg beschikbaar als plaats waar masterclasses en werkconferenties worden gehouden. In twee slaapzalen kunnen deelnemers overnachten. De borg is ook te huur voor vergaderingen, feesten en partijen en trouwplechtigheden.

Bouwkundige beschrijving

Het oudste deel van de borg is het achterhuis waar het 15de eeuwse steenhuis heeft gestaan. Het is opgetrokken uit forse bakstenen met afmetingen van 8.5x14x28,3 cm. Het achterhuis is in de volgende eeuwen vaak ingrijpend verbouwd. De kap van het achterhuis dateert uit de 17de eeuw en bestaat uit eikenhouten bokspanten met een gebogen voet.

In de 16de eeuw is een vleugel aangebouwd, zodat het huis een L-vormige plattegrond kreeg. Rond 1650 liet Duurt Elema voor het huis een gracht met singels en ophaalbrug aanleggen. Hierdoor kreeg het huis het aanzien van een borg. In 1720  liet Reneke Busch tegen het voorhuis een nieuw voorhuis bouwen. Bij de bouw is gedeeltelijk gebruik gemaakt van ouder muurwerk zoals te zien is langs de gracht waar tot een hoogte van 4,80 meter oudere en grotere stenen zijn gebruikt.

Kort na 1817 liet Reneke de Marees van Swinderen een verdieping op het voorhuis bouwen en kreeg de voorgevel het tegenwoordige neoclassicistisch uiterlijk. Zijn kleinzoon, jonkheer R.M.A. de Marees van Swinderen, liet tussen de duiventil en het voorhuis een kantoorruimte voor zijn notarisklerk bouwen. Hier tegenaan staat een prieel, dat van oorsprong een druivenkas was. Aan de achterzijde van de borg liet hij een koetshuis met stallen bouwen.  De duiventil stond er al in de 18de eeuw, maar is in de 19de eeuw in neogotische stijl veranderd.

De wandbetimmering uit 1740 met het alliantiewapens van Reneke Busch de Marees en zijn vrouw Anna van Gessler.
De wandbetimmering uit 1740 met het alliantiewapens van Reneke Busch de Marees en zijn vrouw Anna van Gessler.

De sloop van het huis in 1899 werd weliswaar op het nippertje gestopt, maar grote delen van het interieur waren al verloren gegaan. In de hal is een wandbetimmering uit omstreeks 1740 met het alliantiewapen van Reneke Busch de Marees en zijn vrouw Anna van Gessler.