Varen op aardappelzetmeel

Willem Albert Scholten (1819-1892) geniet vooral bekendheid als de selfmade man die zich opwerkte tot grootindustrieel met tientallen aardappelzetmeelfabrieken in binnen- en buitenland. Veel minder bekend is dat hij ook met serieuze plannen rondliep om een transatlantische scheepvaartverbinding te openen tussen Europa en Amerika. Uiteindelijk besloot hij in zee te gaan met de in 1873 opgerichte Holland-Amerika Lijn en kreeg het eerste schip van de kersverse onderneming de naam 'W.A. Scholten' mee. Het ging het stoom/zeilschip voor de wind. Tot aan die noodlottige 19e november van 1887.

Varen op aardappelzetmeel

Aardewerk uit het wrak van het s.s. W.A. Scholten. Collectie; Veenkoloniaal Museum Veendam

In 1871 richtten Dr. Antoine Plate en Jhr. Otto Reuchlin de commanditaire vennootschap Plate, Reuchlin & Co op, met als doel een rechtstreekse verbinding naar Amerika tot stand te brengen. In 1873 werd de maatschappij omgezet in de naamloze vennootschap Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij (NASM), later de Holland-Amerika Lijn genoemd. Er werden beleggers gezocht om te investeren in de onderneming, maar de belangstelling bleef achter bij de verwachtingen. Steun kwam uiteindelijk van bij de groot-industrieel W.A. Scholten. Hij toonde 'een levendig belang' in de NASM en had er zelfs even over gedacht om deze voor eigen rekening te openen. Met een bedrag van 600.000 gulden stapte hij in de nieuwe maatschappij, was daarmee in één klap grootaandeelhouder en werd als commissaris opgenomen in het bestuur. Bovendien bedong hij dat een nieuw te bouwen schip naar hem zou worden vernoemd.

De NASM behield de wind in de (hulp)zeilen, vooral waar het het vrachtvervoer betrof. Het landverhuizersvervoer gaf echter niet wat men er van had verwacht. Toen bovendien in de Verenigde Staten in 1874 een economische crisis uitbrak, viel de immigratie vrijwel geheel stil en kelderden de vrachtprijzen dramatisch. In het voorjaar van 1875 zag het er voor de NASM zeer slecht uit en balanceerde ze op het randje van een faillissement. Langzaam maar zeker echter keerde het tij en in 1877 gingen de zaken zelfs zo voorspoedig, dat men besloot de vloot met een vijfde schip te versterken. Geld was er echter niet, een lening uitschrijven was evenmin een optie, waarop het benodigde geld bijeen werd gebracht door 'een aantal vrienden der maatschappij', waaronder wederom W.A. Scholten.

<p>Het s.s. W.A. Scholten. - Foto: collectie Alkyone</p>

Het s.s. W.A. Scholten. - Foto: collectie Alkyone

Het s.s. W.A. Scholten

Het stoomschip 'W.A. Scholten' werd in 1874 bij Napiers & Sons in Glasgow gebouwd en had als laatste gezagvoerder Jan Hendrik Willemszoon Taat (14-3-1850 Katwijk aan Zee / 19-11-1887 Dover). Taat kwam in 1874 bij het bedrijf en klom in vier jaar tijd in de gelederen op; van derde stuurman tot kapitein. In oktober 1881 kreeg hij de 'Edam I' toegewezen en hij was kapitein toen het schip een botsing had met de Lepanto in 1882 en binnen 25 minuten zonk. Aan boord waren 21 passagiers en 47 bemanningsleden. Twee ingenieurs verdronken daarbij. In juni 1884 moest kapitein Taat tijdens een rechtszaak met betrekking tot dit incident getuigen en werd vrijgesproken van elke schuld. In de tussentijd had hij in december 1882 het bevel gekregen over de 'Edam II'. Dit was zijn vaste schip totdat hij werd overgeplaatst op de 'W.A. Scholten' op 16 november 1887. Het was de bedoeling dat hij de zieke kapitein Bakker voor één keer zou vervangen. Op 19 november 1887 werd de 'W.A Scholten' in dichte mist in de buurt van Dover aangevaren door de 'Rosa Mary'.

De ramp

Op de rampdag vertrok de 'W.A. Scholten' van Rotterdam, met aan boord 160 passagiers en een bemanning van 55 koppen. Het was goed weer met een kalme zee, maar toen het later op die dag mistig werd, ging het schip bij Dover voor anker. Tegen 11 uur 's avonds werd het zicht beter; het anker werd opgehaald en langzaam stoomde het schip vooruit. Plotseling dook uit de mist een schip op dat de 'W.A. Scholten' recht in de flank ramde. Er waren op dat moment maar weinig passagiers aan dek, de meesten waren in de salon of in hun hutten. Het water stroomde door een gat van acht meter breedte het schip binnen, dat direct zwaar slagzij maakte, waardoor maar twee van de vijf sloepen -overvol- konden worden gestreken. Aan de passagiers werden snel zwemvesten uitgedeeld.

Op de noodseinen met de stoomfluit en de afgestoken vuurpijlen kwam de in de buurt liggende 'Ebro' hulp bieden. Dit schip had een deklading hout en zette een deel ervan overboord, waaraan de schipbreukelingen zich konden vastklampen. Voor velen betekende dit helaas toch geen redding; zij stierven in korte tijd van uitputting en kou. Het schip zonk snel, de ramp had zich in een kwartier voltrokken. De 'Ebro' bleef nog de hele nacht naar overlevenden zoeken en voer de volgende morgen de haven van Dover binnen om de geredden en een groot aantal lijken aan wal te brengen. In Dover liep ook in de loop van de nacht het stoomschip 'Rosa Mary' binnen. Het rapporteerde een ten anker liggend schip te hebben aangevaren. Van de opvarenden verloren 116 passagiers en 16 bemanningsleden, waaronder de gezagvoerder J.H.W. Taat, het leven. Er werden 76 opvarenden gered.

W.A. Scholten stapt op

De noodlottige afloop van de aanvaring weerhield W.A. Scholten er niet van de directie van de NASM direct duidelijk te maken dat ze aan hem verplicht waren om een ander schip naar hem te vernoemen. Bij de directie stuitte dit voorstel op grote weerstand en er werden dan ook geen stappen in deze richting genomen. Deze weigering zou bijdragen aan een verdere verslechtering van de relatie tussen Scholten en de directie van de NASM.

De teleurstellende resultaten van de NASM deden Scholten in 1879 besluiten om zich als commissaris van het bedrijf terug te trekken. Als excuus gaf hij zijn hoge leeftijd op. De vertegenwoordiging van de firma Scholten als aandeelhouder werd voortgezet door zijn zoon Jan Evert, die sinds 1873 ook als commissaris bij de NASM betrokken was. In de jaren na zijn aftreden als commissaris zou Scholten steeds duidelijker laten merken dat hij bij de investering in de NASM alleen maar geld had verloren. Over het dragen van het verlies dat hij aan deze investering overhield scheef hij het volgende:

‘Door eene veertigjarige ijver, voortvarendheid en zorg heb ik zooveel verdiend, dat het mij weinig hinderd of ik een paar ton verlies, en in de overtuiging dat ik ook er in deze zaak mijn best deed, maar dwaalde, had ik mij die schade al lang neergelegd.’

De 'Scholtenschat'

In de tentoonstelling 'Veendam in de Vaart' zoals die in de zomer van 2018 in het Veenkoloniaal Museum Veendam werd gehouden, werd – naast het verhaal van de vier HAL-schepen met de naam 'Veendam' – ook het verhaal van het s.s. 'W.A. Scholten' verteld. Ter gelegenheid van de expositie schonk de duikclub '501 Divers Folkstone' bij Dover aan het museum een twintigtal stuks aardewerk, afkomstig uit het wrak van de Scholten. Het Veenkoloniaal Museum is daarmee het enige museum ter wereld waar dit aardewerk is te zien.

In het ruim van het schip troffen de duikers in en op elkaar gestapeld als vrachtgoed kommen, kopjes, schoteltjes en borden aan. Allemaal gedecoreerd aardewerk van Maastrichts grootste fabriek, die van Petrus Regout. Afwijkend van technische uitvoering, is het in het bereik van de passagiers en personeelsruimten gevonden theekopje met een uit de hand gegarneerd (aangeplakt) oor, gemaakt door de Société Céramique in het Maastrichtse stadsdeel Wijck. Gelet op de vindplaats is het vooralsnog het oudst bekende aardewerk dat voor de NASM is gemaakt.

 

Geraadpleegde literatuur:
Guns N., Holland-Amerika Lijn, geschiedenis van een rederij (Rijswijk 2016)
Knaap D.A., Voor geld is altijd wel een plaats vinden (Assen 2004)
Miller W.H., Going Dutch: The Holland-America Line Story (London 1998)
Schaap D., Brug naar de zeven zeeën (Rotterdam 1973)
Wentholt A.D., Brug over den oceaan ((Rotterdam 1973)