1914-1989

Reddingen vanaf het eiland Rottumeroog

Het meest oostelijk gelegen Nederlandse waddeneiland is Rottumeroog, ofwel Rottum. Het eiland was in de 14e eeuw eigendom van de kloosters te Rottum (ten zuiden van Usquert) en het Praemonstratenzer klooster in de Marne, nabij het Reitdiep. Het eerste klooster was het belangrijkste en was ook de naamgever van het eiland. Het weidegebied was uitbesteed aan inwoners van Uithuizen. Na de 80-jarige oorlog ging het eiland diverse keren in bezit over. Bekend is dat er een kleine leefgemeenschap was.

In de achttiende eeuw begon de perioden van voogden. Deze zagen toe op het verzamelen van strandgoederen, onderhielden de duinen en traden min of meer op als burgemeester en politieman tegelijk. Het voogdhuis had de vorm en ook de functie van boerderij. Het eiland was namelijk zelfvoorzienend. Er waren koeien voor de melk en paarden voor het werk in de duinen. De voogden werden bijgestaan door een aantal mannelijke en vrouwelijke hulpkrachten voor het boerenwerk en het werk in de duinen. Een of twee mannen hadden een varende achtergrond en concentreerden zich op het maritieme aspect, zoals het varen met en het onderhoud van de boten.

Hendrik Toxopeus

in 1908 volgde Hendrik Toxopeus de vierde en laatste generatie Van Dijk op als voogd. Hij was kapitein-eigenaar van een sleepboot en kreeg op een dag een gezelschap heren van Rijkswaterstaat aan boord, die hij naar Rottum moest brengen. Het bezoek had waarschijnlijk te maken met het naderend afscheid van voogd Van Dijk. Waarschijnlijk wilden de mannen de goederen en werktuigen inventariseren, die overgenomen moesten worden. De sleepbootkapitein maakte kennelijk een goede indruk op de heren, want op de terugweg was hun vraag of hij er niet voor voelde om voogd op Rottum te worden. Hendrik Toxopeus werd voogd in 1908. Als rechterhand nam hij zijn neef Jan Kuiper mee, die in diverse functies zo'n kwart eeuw op het eiland zou blijven.

Reddingmaatschappij

Met de oprichting van de reddingmaatschappij in 1824 kreeg Nederland een cordon van strand reddingboten aan de kust die bij noodseinen uit konden varen. Het uiterste oosten, zeg district Rottum, was echter een blinde vlek. Kort voor de komst van Toxopeus had bij het eiland een stranding plaatsgevonden, waarbij Duitsers van verre moesten komen om de mensen te redden. In 1909 herhaalde zich dat met een gestrande logger. De pas aangestelde voogd Toxopeus zat zich op het eiland te verbijten, omdat hij een betere uitgangspositie voor de redding, maar geen middelen had. 

Het was de reddingmaatschappij ook niet ontgaan. In 1910 kwam een delegatie van de reddingmaatschappij naar Rottum. Hierbij was ook prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Wilhelmina, aanwezig. Men was het erover eens dat er een reddingboot moest komen. Het werd een houten zeil-reddingboot gebouwd van 8 meter, die de naam 'Prins' kreeg. In 1913 kwam voor de voogd en zijn mannen de kans om zich als redder te manifesteren toen de bark 'Amazone' strandde. Het was vreselijk slecht weer, maar de mannen van Rottum, Hendrik Toxopeus, Jan Kuiper en Harm van der Laan, zagen kans de bemanning behouden van boord te halen. De drenkelingen werden in het Zielhoes te Noordpolderzijl opgenomen.

Motorboten

Het bleek al spoedig dat Rottum de man- en paardenkracht miste om een zware houten roeireddingboot in zee te brengen en te bemannen. De oplossing was een motorreddingboot en die kwam er in 1917, de reddingboot 'C.A. den Tex'. Dit motorschip vroeg een beroepsschipper en voogd Hendrik Toxopeus stelde de reddingmaatschappij voor om voor die functie zijn neef te benaderen. Die trad op als sleepbootkapitein op de wadden en kanalen, maar voer ook ter koopvaardij. De aanstelling ging door en zo maakte de later legendarische redder Mees Toxopeus zijn entree bij de reddingmaatschappij. Als stuurman werd Jan Kuiper aangesteld. De 'C.A. den Tex' was echter maar een klein bootje met weinig motorvermogen. Dat moest anders. Zodoende werd de boot in 1922 opgevolgd door de grotere 'Hilda', die bij scheepswerf Niestern in Delfzijl werd gebouwd.

Aan het denken

In 1921 werd de reddingmaatschappij door twee rampen geteisterd. Bij Hoek van Holland verging de reddingboot 'Prins der Nederlanden' en in dezelfde storm keerde van Terschelling de reddingboot 'Brandaris' niet terug. Het zette Mees Toxopeus op het eiland Rottum aan het denken en hij tekende diverse schoolschriftjes vol met reddingboten zoals ze er volgens hem uit zouden moeten zien. Het schip moest ronde vormen hebben als een duikboot en moest een voorziening hebben die het schip na kentering weer spontaan recht moest brengen. Het resultaat was de reddingboot 'Insulinde', met standplaats Oostmahorn, aan de Lauwerszee. Mees Toxopeus werd schipper op het nieuwe schip. Hij werd op Rottum opgevolgd door zijn stuurman Jan Kuiper. Voor de nu vrijgekomen stuurmanspost op de 'Hilda' diende zich een nieuwkomer aan: de 22-jarige Klaas Toxopeus, die later ook een zeer bekend ‘mensenredder’ zou worden.

De reddingboot. "Insulinde" voor het badstrand te Schiermonnikoog, ca. 1925. Ansicht: www.beeldbankgroningen.nl (1986-08376)
De reddingboot. "Insulinde" voor het badstrand te Schiermonnikoog, ca. 1925. Ansicht: www.beeldbankgroningen.nl (1986-08376)

Insulinde

De nieuwbouw 'Insulinde' bleek tijdens een reddingactie op het Borkum Riff in 1928 een succes en toonde aan dat reddingstation Oostmahorn ook het rayon Rottum kon bedienen. De reddingsactie had eigenlijk door de Hilda uitgevoerd moeten worden, maar deze miste de morseseinen van het schip op het Borkum Riff. Het succes van de Insulinde had tot gevolg dat de reddingboot ‘Hilda’ in 1930 van Rottum werd teruggetrokken. De 'Insulinde' zou daarna nog enkele keren lauweren op het Borkum Riff oogsten. Maar ook de reddingdienst op Borkum moderniseerde en allengs namen de Borkumer redders hun eigen territorium weer over. En zelfs gebeurde het dat de Borkumers zich in bepaalde gevallen in een veel betere uitgangspositie bevonden dan de 'Insulinde' en het werk rond Rottum weer begonnen op te knappen.

Redding Ondersteunings Flottielje

Dat ging goed tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw. Vanaf die tijd deed het gemis aan een Nederlandse reddingboot zich in het Nederlandse waddengebied steeds sterker gevoelen. Oorzaak was de snel groeiende watersport. Vaak werd hulp geboden door toevallig aanwezige beroeps- of pleziervaarders, waarbij met name de eigenaren van drie rubberboten, die vanuit de Eemshaven opereerden, van zich deden spreken. Die hulp kwam zo vaak voor, dat de reddingmaatschappij besloot deze hulpverlening een gestructureerd karakter te geven. Ze gaf de particuliere boten een semi-reddingbootstatus onder de naam Redding Ondersteunings Flottielje (ROF). In 1994 werd Eemshaven een regulier reddingstation. Het betekende dat alle schippers en bemanningsleden aan de strikte eisen van de reddingmaatschappij moesten voldoen.

De eerste Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM)-reddingboot was de 'Anna Dorothea'. Deze werd na enige tijd overgeplaatst en opgevolgd door de grotere 'Jan en Titia Visser'. Dit is een zogenaamde ‘all weather’ boot. De ‘Jan en Titia Visser’ wordt bemand door 14 vrijwilligers, onder wie twee vrouwen. De boot heeft een erg groot vaargebied: de Noordzee, het oostelijke Nederlandse wad, de Eems en Dollard. Daarnaast voert de ‘Jan en Titia Visser’ in samenwerking met de Duitse collega's van Borkum ook acties uit op Duits territorium.

Vergelijking

Een vergelijking tussen de eerste en huidige reddingboot in het Eemsdistrict - ofwel circa 100 jaar - toont grote onderlinge verschillen. De eerste boot 'C.A. den Tex' had een lengte van 12 meter en een Brons-motor van 24 pk, goed voor een snelheid van 6,5 knopen. De huidige reddingboot 'Jan en Titia Visser' heeft een lengte van 15 meter en beschikt over twee motoren van 680 pk elk. De maximum snelheid bedraagt 34 knopen! Hoewel de technische gegevens van de schepen drastisch gewijzigd zijn, is de zee even onberekenbaar gebleven als voorheen.