Slavernij drukte ook stempel op Westerkwartier

Dat de karakteristieke pakhuizen en koopmanshuizen aan de Amsterdamse grachtengordel veelal gebouwd zijn met geld dat verdiend is met de slavenhandel, is geen geheim. Maar dat ook het Westerkwartier mede gevormd is door de opbrengsten van deze lucratieve nering, zal velen verbazen. Barbara Henkes en Margriet Fokken, beiden verbonden aan de sectie Moderne Geschiedenis van de Rijksuniversiteit Groningen, schreven het boek Sporen van het Slavernijverleden. Ze laten met vier fietsroutes en één wandelroute, gebaseerd op informatie uit het boek, zien dat onze slavernijgeschiedenis op straat ligt.

Slavernij drukte ook stempel op Westerkwartier

De borg Hanckema, 1825, tekening H. Numan. - Foto: www.beeldbankgroningen.nl (818_19168)

In een ‘rondje Zuidhorn’ van 36 kilometer gidsen de historici Henkes en Fokken ons langs plekken die de slavernijgeschiedenis letterlijk dichtbij huis brengen. De eerste stop vanaf station Zuidhorn, het begin- en eindpunt van de reis, is de afgebroken borg Hanckema. De contouren op de weg geven aan waar het voormalige woonhuis van jonker Pabe Broersema (1586-1646) ooit stond. Broersema vertegenwoordigde de Ommelanden in de Staten-Generaal en vervulde andere belangrijke politieke taken. Ook investeerde hij een fors bedrag in de Kamer Stad en Lande van de West-Indische Compagnie (WIC), een handelscompagnie opgericht naar het model van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC).

Groninger WIC

De Kamer Stad en Lande is de Groninger afdeling van de WIC en werd in 1622 opgericht. Samen met vier andere Kamers vormde de Groninger Kamer het bestuur van de WIC. Hoe meer geld de aandeelhouders bijeen brachten, hoe meer zeggenschap zij hadden. De Kamer had een sturende rol in de slavenhandel en de slavernij op de overzeese plantages. De Groninger afdeling van de handelscompagnie bood ‘een netwerk waar de lokale, regionale en landelijke elite samenkwam om handelsstrategieën te bespreken, monopolies te regelen en voor het familiekapitaal gunstige huwelijken te bevorderen’.

Jonker Pabe Broersema investeerde destijds vijfduizend gulden, wat tegenwoordig gelijkstaat aan 57.000 euro, in de WIC. Het geld dat deze investering hem opleverde, werd na zijn dood – zoals in zijn testament was bepaald – gebruikt voor het ondersteunen van armen, weeskinderen en weduwen in de regio. De kerk en de armen van Zuidhorn kregen bijvoorbeeld elk vijfhonderd gulden. Geld verdiend over de ruggen van slaven in West-Afrika en Midden- en Zuid-Amerika, vond zo zijn weg naar lokale liefdadigheidsinitiatieven.

Ondernemingszin

Het 'rondje Zuidhorn' voert verder langs de overblijfselen van de borg Bijma in Faan en de borg Nienoord in Leek. De laatste bezienswaardigheid op de route is het praalgraf van de familie In- en Kniphuisen-van Ewsum in de kerk van Midwolde. Al deze plekken getuigen van de weelde die werd vergaard door investeringen in de WIC. Een investering die overigens vooral werd ingegeven door ondernemingszin. Het grootste bezwaar om te investeren was het financiële risico dat het met zich meebracht. De wijze waarop de Compagnie haar geld verdiende, stond niet ter discussie. Beleggen in de WIC, en daarmee in kaapvaart en slavenhandel, was als beleggen in elke andere onderneming. Zoals het toen vanzelfsprekend was te investeren in menselijk leed, zo vanzelfsprekend is het slavernijverleden nu verweven met de Groninger en Nederlandse geschiedenis.