WinterWelVaart

Het slavernijverleden van Groningen

Verschillende verhalen over het slavernijverleden van Groningen komen samen op de tiende editie van WinterWelVaart in 2016. Aan kades in Groningen, Appingedam en Winschoten liggen historische schepen en De Verhalen van Groningen neemt u mee naar vroeger tijden met lezingen en exposities.

Het slavernijverleden van Groningen

Een slavenboei, vermoedelijk afkomstig van de plantage Overtoom aan de rivier de Para in Suriname. Bij de afschaffing van de slavernij in 1863 waren er nog 193 slaven op deze plantage. - Collectie Rijksmuseum

Het rijke maritieme verleden van de stad en provincie Groningen kent een tot nu toe bijna onbelichte keerzijde. Veel verhalen van welvaart, handel en winst zijn verweven met het slavernijverleden van Groningen. In 1622 werd de Kamer Stad en Lande opgericht, waarmee Groningen een eigen afdeling kreeg bij de West-Indische Compagnie. De Kamer had een sturende rol in de slavenhandel en slavernij op plantages. In 1792 werd de Compagnie opgeheven, maar in Groningen zijn nog veel stilzwijgende getuigen te vinden van dit verleden, zoals gebouwen, monumenten en schilderijen. Niet meer dan vier tot vijf generaties zijn we verwijderd van de tijd waarin mensen tot slaaf werden gemaakt en werden verhandeld.

Afrikaans handelsnetwerk biedt uitkomst

Nadat de Portugezen en de Spanjaarden grote delen van het Caraïbische gebied en Zuid-Amerika hadden veroverd in de vijftiende en zestiende eeuw, kampten ze met een probleem. Vanuit Europa hadden zich enkele zeer besmettelijke ziekten verspreid over de nieuwe continenten, die voor de inheemse bevolking fataal bleken. Er ontstond een groot tekort aan arbeidskrachten op de plantages in de koloniën. Een oplossing voor dit tekort vonden de Portugezen en Spanjaarden in het handelsnetwerk van Afrika. Van slavenhandelaars ter plaatse kochten ze mensen die ze tot slaaf maakten. Ze verscheepten hen over de Atlantische Oceaan naar hun plantages. Dit wordt de trans-Atlantische slavenhandel genoemd.

Al snel bleek het verhandelen van mensen en de gebruikmaking van hun gedwongen arbeid een zeer winstgevende onderneming. Vooral de vraag naar krachten op de suiker- en tabaksplantages groeide aan het einde van de zestiende eeuw sterk. Dankzij de gigantische opbrengsten van de plantages groeide de welvaart in Europa explosief. Na de Portugezen en Spanjaarden ontdekten ook de Fransen, Engelsen en Nederlanders de grote financiële voordelen van slavenhandel. Zo groeide de trans-Atlantische slavenhandel uit tot een onderneming waarin tussen de 11 en 14 miljoen mensen tot slaaf gemaakt en verscheept werden naar Amerika. Nederlanders waren verantwoordelijk voor zo’n 600.500 van hen.

Nederland wil profiteren

Na het ontstaan van de Nederlandse Republiek in de zestiende eeuw maakte Groningen als soevereine staat deel uit van de jonge natie. Het bijzondere was, dat de kleine Republiek al snel een rol wist op te eisen in de wereldhandel, tegenover grootmachten Spanje en later Engeland. In 1602 werd de handelsvereniging Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht, met een nationaal monopolie op de handel in gebieden rondom de Indische Oceaan. Bijna twintig jaar later volgde in 1621 dezelfde organisatievorm voor de gebieden rondom de Atlantische Oceaan: de West-Indische Compagnie. Het doel van deze eerste WIC was de overheersende handelspositie van Portugal en Spanje te breken.

In 1628 veroverde Piet Hein de Zilvervloot, een konvooi met Spaanse kostbaarheden uit de koloniën. Daarmee had de WIC vrij plotseling genoeg middelen om een grootscheepse aanval te doen op de Portugese bezittingen in Brazilië. Maar ondanks constante strijd aan de kust van Brazilië lukte het de WIC niet om de Spanjaarden en Portugezen te verdrijven. De strijd kostte de WIC een vermogen en in 1654 werd de Compagnie alsnog verdreven uit Brazilië. In 1674 was de WIC genoodzaakt zichzelf failliet te verklaren. Binnen een jaar werd echter een 'tweede' WIC opgericht, die zich voornamelijk richtte op de slavenhandel. Uiteindelijk werden ongeveer 300.000 tot slaaf gemaakten door de WIC van Afrika naar Amerika vervoerd.

<p>De indeling van een slavenschip. - Beeld via Wikimedia Commons&nbsp;</p>

De indeling van een slavenschip. - Beeld via Wikimedia Commons 

Slavenhandel in de praktijk

De slavenschepen van de West-Indische Compagnie werden ook wel ‘drijvende kerkers’ of ‘drijvende lijkbaren’ genoemd. Ongeveer vijftien procent van de gevangenen overleefde de barre overtocht niet. Voordat ze aan de kust van Afrika ingescheept werden, kregen de tot slaaf gemaakten een brandmerk met de letters ‘WIC’. Degenen die de overtocht overleefden, werden op een slavenmarkt in Amerika opnieuw te koop gezet. Daarbij werden ze als vee geïnspecteerd op hun krachtige en gezonde voorkomen. Wanneer een tot slaaf gemaakte verkocht werd, kreeg hij opnieuw brandmerk, ditmaal met het merkteken van zijn nieuwe eigenaar.

De tot slaaf gemaakten hadden op plantages geen rechten en leefden daardoor vaak in angst. Ze mochten geen gemeenschap vormen en konden dus ook geen vuist maken tegen slavernij. Door het zware werk op de plantages stierven veel tot slaaf gemaakten al snel. Dagelijks werden ze blootgesteld aan een vaak gewelddadig koloniaal bewind, waarbij gruwelijke lijfstraffen niet geschuwd werden. Op de plantages in Suriname bepaalden de eigenaars zelf wat de regels en de straffen waren, en ze speelden ook zelf voor rechter. Onderdrukking, angst en totale rechteloosheid zorgden ervoor dat slavernij ruim drie eeuwen kon blijven bestaan.

<p>Een slavin wordt te koop aangeboden.&nbsp;Litho naar P.J. Benoit, ca. 1890. - Collectie Wereldculturen (TM-3728-381)</p>

Een slavin wordt te koop aangeboden. Litho naar P.J. Benoit, ca. 1890. - Collectie Wereldculturen (TM-3728-381)

Groningen en de West-Indische Compagnie

Een jaar na de oprichting van de West-Indische Compagnie in 1621 werd in Groningen de Kamer Stad en Lande uitgeroepen. Deze Kamer was de Groningse afdeling binnen de WIC. Omdat Groningse jonkers en kooplieden de Kamer Stad en Lande beschouwden als cruciaal voor de provincie, investeerden ze rijkelijk in de onderneming. Gezamenlijk brachten ze ruim 800.000 gulden bij elkaar; omgerekend meer dan tien miljoen euro. Dit geld was nodig voor de oorlog tegen de Portugese en Spaanse vloot. Zo vochten schepen met de namen 'Groeningen', 'Omlandia' en 'Stad en Lande' mee in de strijd om de heerschappij in Nederlands-Brazilië.

Groningse jonkers en kooplieden beschouwden Kamer Stad en Lande als basis voor de welvaart en prestige van de provincie Groningen. Maar de leden van Kamer Stad en Lande waren - zoals zo vaak in de geschiedenis van Groningen – verdeeld in twee machtsblokken; die van de Stad Groningen en die van de Ommelanden. Bij de vraag naar de meest geschikte havenplaats voor de Kamer, gunden de Stadjers de Ommelanders geen handelshaven in Delfzijl. Ook bij de stemming van een afgezant van de Kamer voor het centrale bestuur voerde het eigenbelang vaak de boventoon. Ondanks de interne verdeling kreeg de Kamer Stad en Lande een sturende rol in de trans-Atlantische slavenhandel en de slavernij in de koloniën.

Afrikaans-Groningse Nederlanders

Een West-Afrikaan die het schopte tot borgheer in de Ommelanden? Het lijkt erg onwaarschijnlijk. Toch was de borgheer van de Onstaborg, Arij de Graaff (1729/1730-1788), ter wereld gekomen in Elmina, aan de kust van Ghana. Hij was de zoon van Martinus de Graaff en de Ghanese vrouw Abenaba. Na de dood van zijn vader ging Arij met een kapitein van de WIC naar Groningen. Op zijn zeventiende keerde Arij terug naar Elmina als equipagemeester en kreeg zelf twee kinderen bij de Ghanese vrouw Efiba. In 1763 keerde hij met zijn kinderen weer terug naar de Nederlanden en trouwde hij met Gesina Barlinckhoff. Met zijn gezin ging hij wonen op de Onstaborg in Wetsinge.

Ook Louis Alons (1754/55-1831) werd ver van Groningen geboren. Op Curaçao kwam hij in aanraking met plantagehouders Cornelis Star Lichtevoorde en zijn vrouw Maria Kock. Zij beheerden de plantage Rozentak tot 1768. Toen ze daarna terugkeerden naar Sappemeer, namen ze twee 'zwarte bedienden' mee. Eén van hen was vrijwel zeker Louis Alons. Ze gingen wonen op Borg Welgelegen, waar Louis werkte als bediende en koerier. In zijn latere leven trouwde hij twee keer met een Groningse, waarbij hij werd geregistreerd als 'een neger uit Curaçao'. Uit beide huwelijken werden kinderen geboren, waardoor de achternaam Alons nog steeds veelvuldig voorkomt in Groningen en de rest van Nederland.

Sporen in de schilderkunst

Veel welgestelde families in de Stad en Ommelanden investeerden in de WIC of hadden een bestuurlijke functie binnen de Kamer Stad en Lande. Geheel in de traditie van de schilderkunst van de zeventiende en achttiende eeuw lieten families portretten schilderen, waarbij hun welvaart en relatie met de WIC getoond werd. Zo ook op een portret van Anna van Eswum van de borg Nienoord. De kleine zwarte bediende die rechts van haar op het schilderij te zien is, benadrukt Anna's grootte, haar blanke huid en haar welvaart.

Het portret van Anna van Ewsum past in een traditie van soortgelijke portretten uit Spanje, Portugal en Italië. Leden van rijke adellijke families lieten zich afbeelden met een zwarte bediende, klein van stuk en meestal in Arabische of Moorse kleding. Meestal verwezen de bedienden niet naar werkelijk bestaande personen. Van de familie Schay uit Groningen bijvoorbeeld, zijn geen aanwijzingen voor het bezit van zwarte bedienden. Toch liet Cornelis Schay zijn dochter Elsbeth portretteren door Herman Collenius, met een knecht met donkere huidskleur naast haar. Ook voor de Borgheer van Nittersum bij Stedum mocht Collenius een vergelijkbaar portret opstellen, en gouverneur Jan Gerhard Wichers en predikant Barak Houwink zijn afgebeeld op eenzelfde manier.

Meer dan financieel gewin

Hoeveel de slavernij op de plantages in de koloniën van de West-Indische Compagnie in geld heeft opgeleverd, is moeilijk te zeggen. Enkele cijfers over de winst en dividenduitkering van Kamer Stad en Lande zijn bekend. Maar in veel gevallen was deelname aan de organisatie van de WIC en Kamer Stad en Lande niet alleen een kwestie van financiële investering, maar ook een kwestie van prestige. De WIC bood veel handelscontacten en een goed sociaal netwerk. Zo bood de WIC jongens uit de middenklasse een goede mogelijkheid om carrière te maken. Daarnaast kon Groningen van de slavenhandel en slavernij profiteren in veel bredere zin dan opbrengsten via de Kamer Stad en Lande.

De schepen die in opdracht van Kamer Stad en Lande werden gemaakt brachten veel bedrijvigheid met zich mee. Op scheepswerven vonden timmerlieden werk, in smederijen werden ankerkettingen en boeien vervaardigd en kruideniers, bakkers en slagers leverden voedsel en drank aan schepen. De welgestelde Adriaan Trip (1620-1684) werd bijvoorbeeld steenrijk door de handel in hout, wapens, ijzer en koper waarmee zeeschepen voor de VOC en de WIC werden gebouwd. Omgekeerd vonden de West-Indische producten als suiker, koffie, cacao, tabak en katoen een belangrijke afzetmarkt in Groningen. In de negentiende eeuw telde de Stad bijvoorbeeld 28 tabaksfabrieken. Zo bleef het overzeese systeem van uitbuiting en slavernij rendabel, mede dankzij de Groningse afzetmarkt.

Afschaffing van de slavernij

In 1841 kwam een felle tegenstander van slavernij, de Brit John Scoble, vanuit Groot-Brittannië naar Hotel de Doelen aan de Grote Markt in Groningen. In zijn toespraak pleitte hij voor afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën. Onder de aanwezigen bevonden zich notabelen als officier van Justitie Wichers en raadsheer Feith. In zijn verslag over het bezoek noemde Scoble Groningen één van de voornaamste centra waar men zich tegen slavernij keerde. 'Hij maakte dieper indruk, daar hij van alles, wat hij verhaalde, ooggetuige was geweest,' aldus de Drentsche Courant in 1841. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd een groeiend aantal organisaties opgericht tegen slavernij. Samen vormden ze de abolitionistische beweging. Hoewel de West-Indische Compagnie in 1782 was afgeschaft, was slavernij nog altijd aanwezig in de koloniën.

Nadat Groot-Brittannië al in 1834 en Frankrijk in 1848 voor waren gegaan, werd in Nederland de slavernij pas in 1863 officieel afgeschaft. Slaveneigenaren kregen daarbij 30 gulden per 'verloren' tot slaaf gemaakte ter compensatie. De vrijgelatenen zelf kregen niets. Tientallen Groningers maakten aanspraak op de compensatieregeling. Op 1 juli 1863 werd in Paramaribo het feest van de ‘gebroken ketenen’ of ‘Ketikoti’ gevierd. Schaduwkant van het feest was dat alle tot slaaf gemaakten nog tien jaar lang verplicht op de plantages moesten blijven werken, tegen een schamele vergoeding.

Margriet Fokken en Barbara Henkes schreven in 2016 Sporen van het slavernijverleden in Groningen. Deze gids voert u langs ruim 60 locaties, gelegen langs een wandelroute in de stad en vier fietsroutes in de provincie. Op elk van deze plekken is het slavernijverleden van Groningen op de een of andere manier terug te vinden. Het boek is te bestellen bij Uitgeverij Passage.

<p>Afschaffing van de slavernij in de Franse koloni&euml;n. - Schilderij van&nbsp;Auguste Fran&ccedil;ois Biard,1849, via Wikimedia Commons</p>

Afschaffing van de slavernij in de Franse koloniën. - Schilderij van Auguste François Biard,1849, via Wikimedia Commons