Wadden en water , Verhalen uit de regio

1300-heden

Water in Stad: snikken en vloedlatjes

Groningen kende eind negentiende eeuw geen parkeergarages, fietsflats, asfalt of andere moderniteiten. Geen van deze voorzieningen was van belang voor de havenstad, waar verkeer over de weg een bescheiden rol speelde. Groningen fungeerde als spin in een web van waterwegen naar alle uithoeken van de provincie en de wateren van Friesland en Drenthe. De diepen en kanalen waren werkgebied voor talloze schippersfamilies.

Water in Stad: snikken en vloedlatjes

Aan het Winschoterdiep laden en lossen schepen hun lading, ca. 1920. – Ansicht: Collectie Groninger Archieven

De stad Groningen kon dankzij haar Diepenring fungeren als schippersstad en zelfs als zeehaven. Haar binnenstad was omringd door havens en diepen waar aangelegd, geladen en gelost kon worden. Zo liep de Noorderhaven door naar het Lopende Diep en de Spilsluizen. Het Boterdiep was aangesloten op de Turfsingel en het Schuitendiep. Het Kattendiep en Zuiderdiep stonden in verbinding met de Oosterhaven en de Zuiderhaven ten slotte lag aan het Hoge- en Lage der A. Zo waren alle straten van de binnenstad op loopafstand verbonden met de vaarwegen naar de provincie.

Spin in het web

Terwijl de Diepenring de Stad voorzag van handel, zorgden de diepen en kanalen vanaf de Diepenring voor handel de provincie in. Via het Boterdiep konden schepen Bedum en Uithuizen bereiken. Het Damsterdiep gaf toegang tot Appingedam en Delfzijl. Vanaf de Oosterhaven was de weg vrij naar Hoogezand-Sappemeer en naar Winschoten ging het via het Winschoterdiep. De Westerhaven sloot aan op het Hoendiep en bood een waterweg naar Zuidhorn en de Friese wateren. De wateren in Drenthe konden bereikt worden via het Willemskanaal vanaf de Zuiderhaven in de Stad. De Noorderhaven gaf via het Reitdiep zelfs verbinding tot open zee via Zoutkamp. Tot 1877 was daardoor de invloed van eb en vloed merkbaar in de stad en waren hoge en lage kades van bijvoorbeeld het A en het Lopende Diep daar op aangepast.

Groninger zeehaven

De kaden van het Lopende Diep hadden een aanzienlijk hoogteverschil. Maar lang niet altijd waren de diepen van de Stad berekend op de invloed van de Lauwerszee. Als de diepen door eb droog kwamen te liggen, kwamen schepen vast te zitten of gingen ze zelfs overzij. Ze konden dan door het slib vastgezogen worden. Ook vloed kon voor de nodige problemen zorgen wanneer een stevige noordwestenwind het waterpeil van het Reitdiep flink opstuwde. De kades en nabijgelegen straten van de Stad kwamen dan blank te staan. Bewoners van omringende huizen hadden daarvoor zogenaamde ‘vloedlatjes’ klaarliggen om het water buiten de deur te houden. Aan beide kanten van het deurkozijn zaten twee latjes gespijkerd, waartussen een plank paste die tegen de kozijnstijlen en dorpel met klei werd aangesmeerd.

Toen in 1877 het Reitdiep werd afgesloten van de zee kwam er een einde aan de stad Groningen als zeehaven.

Snikke

Op de diepen en kanalen in de Stad en provincie voeren talloze Groninger trekschuiten of snikken. Een snikke was een kleine schuit waarmee zowel passagiers als vee of goederen werden vervoerd. Een snikke was gebouwd om voortgetrokken te worden, door een paard of schippersvrouw. Daarmee was de snikke uitermate geschikt voor de kleine vaarten, kanalen en dorpen in Groningen. Vooral op de marktdagen, dinsdag en vrijdag, lagen de wateren van de Stad vol met trekschuiten en was het één en al bedrijvigheid. Beurtschippers, handkarren, graanhandelaren en turfkarren vonden elk hun weg naar de binnenstad.