Onderweg

1815-1914

Scheepsjagers en hun penningen

Reeds in de 17de eeuw waren er scheepsjagers in Groningen. Scheepsjagers liepen langs de kanalen en verhuurden hun paarden aan schippers om schepen te trekken. Zeilen was op de Veenkoloniale kanalen vanwege de vele bruggen en sluizen bijna nergens mogelijk. Voor de komst van de scheepsmotor had een schipper eigenlijk maar een aantal opties; of zelf het schip trekken of laten trekken, of een scheepsjager huren. De scheepsjager liep met zijn paard meestal een vast traject tussen twee sluizen. Moest het schip nog verder, dan droeg hij het schip over aan een andere scheepsjager.

Een door de stad aangestelde presmeester (stalhouder) hield toezicht op het scheepsjagersbedrijf. Hij zorgde ervoor dat de stal voor de scheepsjagerspaarden schoon bleef, er geen zieke paarden werden gestald en er geen paarden los langs het kanaal liepen. De ter beschikking staande stal was dag en nacht open. Naast de stal bevond zich een slaapgelegenheid voor de scheepsjager. Om wildgroei van het scheepsjagersbedrijf te voorkomen werden de scheepsjagers en hun paarden geregistreerd.

Concurrentie

Dit bleef zo tot 1879. In dat jaar kwamen, in de geest van Thorbecke, alle oude reglementen bij Koninklijk Besluit te vervallen. Vrije concurrentie was vanaf toen mogelijk. Al gauw ontstond dankzij deze vrijheid wildgroei. De toeloop van avonturiers en personen die van scheepsjagen geen verstand hadden, deed het beroep geen goed. Bovendien verschenen er langs het diep allerlei cafés die er zelf een stal voor de scheepsjagerspaarden op na hielden, in de hoop zoveel mogelijk drank te kunnen afzetten aan de scheepsjagers. Er braken regelmatig vechtpartijen uit tussen scheepsjagers onderling of tussen scheepsjagers en schippers. 

Machteloos

Schippersverenigingen trokken al snel aan de bel bij de bestuurders. Lange tijd stonden de schippersverenigingen dankzij de liberale tijdsgeest machteloos tegen de wanorde. De meeste klachten hadden betrekking op het gevraagde jaagloon en de ‘onhebbelijke en brutale wijze’ waarop de scheepsjager zijn bedrijf uit oefende. Maar het tij keerde.

In 1902 besloot de Provinciale overheid in te grijpen. Men nam een voorstel van de schippersvereniging ‘Vooruit’ te Groningen bijna geheel over. Volgens deze schippersvereniging zou er rust komen in het scheepsjagersbedrijf als er vastgestelde tarieven kwamen, wachtlokalen werden gebouwd bij de sluizen en de scheepsjagers werden geregistreerd. Elke scheepsjager zou een insigne moeten dragen zodat hij voor de schipper herkenbaar was.

Penning

Op 1 juli 1903 trad de verordening scheepsjagersbedrijf in werking. Uildrik Lamein uit Eexterveenschekanaal kreeg de eerste scheepsjagerspenning uitgereikt. Er zijn twee soorten penningen in omloop gebracht. De oudsten zijn aan de voorzijde voorzien van het wapen van de provincie Groningen. De penningen die vanaf de jaren dertig werden verstrekt, werden bij Fongers geslagen, zijn eenvoudiger van vorm en zijn voorzien van een groot nummer op de voorzijde. Bij de oude penningen staat dit nummer op de achterzijde.

Bij de penning hoort ook nog een certificaat. Een penning met bijbehorende certificaat kom je bijna nooit meer tegen. Aan de hand van een nummerlijst op de website van het Veenkoloniaal Museum kan een ieder die een penning thuis heeft liggen, zien van wie de penning geweest is. 

De laatste penning, met nummer 3434 werd op 3 december 1948 aan Hendrik de Beere uit Gasselternijveenschemond verstrekt. De tijd en de ontwikkelingen op het gebied van de scheepsmotoren had het beroep overbodig gemaakt. Bovendien verloor de kleine binnenvaart de concurrentieslag tegen het wegtransport.