Verhalen uit de regio

1648-1914

Vaderland bejubeld door Hajo Albert Spandaw

Nu Neêrlands onbesmette Maagd
Weêr schatting van de volken vraagt,
De zege aan onze standers snoerend';
Nu Neêrlands rijke en stoute taal,
Haar' eigen' glans ter tinne voerend',
Doet schitt'ren Neêrlands wapenpraal;

Hajo Albert Spandaw (1777–1855) was de schrijver van bovenstaand gedicht. De bejubeling van het vaderland was een reactie op de bevrijding van het Franse juk in 1813. Bijna twee decennia lang hadden de Fransen de scepter gezwaaid in Nederland. Het waren de jaren dat Europa was overgeleverd aan de grillen van Napoleon en veel Nederlanders verlangend wachtten op de bevrijding. Het verlangen naar een vrij vaderland sloot naadloos aan bij de opkomende Europese stroming van de Romantiek. Het was een reactie op de Verlichting, een periode waarin de ratio centraal stond. In de Romantiek stonden juist de subjectieve ervaringen en emoties centraal. Spandaws gedichten gaven de romantische gevoelens die leefden in Nederland een stem.

Van mijn geboorte af aan, in de eerste vaag van ’t leven, Toen de onvergeetbre vrouw, tot moeder mij gegeven

(Uit: 'De vrouwen; in vier gezangen', 1807)

Zijn wieg stond in het Drentse Vries, maar al snel verhuisde Hajo Albert Spandaw met zijn ouders naar het Groningse Ten Boer. Terwijl zijn vader daar zijn werk deed als predikant, bekommerde zijn moeder zich om de kleine Hajo. Hij zou zich later de momenten herinneren dat zijn moeder hem haar eigen gedichtjes voorlas. Zijn liefde voor de taal en het dichten werden hem zo met de paplepel ingegoten. Die liefde kreeg een flinke klap te verwerken toen zijn moeder overleed toen Hajo twaalf jaar was. Naar eigen zeggen liet ze een radeloos verdrietige Hajo achter, die uiteindelijk weer vreugde en troost vond in het lezen en schrijven van gedichten.

Het Hoogste geluk

Mijn lot is zaligheid, ik smaak het hoogst geluk: ‘k Wil voor geen koningskroon mijn wijf en jongen geven

(Uit: 'De waarde van vrouw en kind', gepubliceerd in Gedichten, 1815)

Na zijn schooltijd op de Latijnse school in Groningen ging Spandaw Romeins en hedendaags recht studeren. Op 9 februari 1799 rondde hij zijn studie af en nog diezelfde maand trouwde hij. Op 23 februari gaf hij zijn jawoord aan Henrica Woortman, de vrouw met wie hij elf kinderen zou krijgen. In enkele van zijn gedichten zou hij het huwelijksleven en de waarde van de vrouw bejubelen. Evenwijdig aan zijn huwelijksleven ging ook zijn carrière hem voor de wind. Hij werd respectievelijk advocaat, rechter, gedeputeerde en griffier van de Groningse Staten en in 1840 werd hij gekozen tot buitengewoon lid van de dubbele Tweede Kamer. Zo ving zijn carrière aan tijdens de Franse overheersing en werd die geruisloos doorgezet na de overgang naar het Koninkrijk der Nederlanden na 1813. Ook zijn gedichten bleef hij vol overgave schrijven en hij werd een geliefd Vaderlands dichter.

Vaderlands dichter

Ons bindt, door pligt en vrije keus, een onverbreekbre band, En onze leus, een heilige leus, Is liefde en vaderland!

(Uit: 'Liefde en Vaderland', gepubliceerd in; Gedichten, 1846)

Spandaw werd beschouwd als één van de beste dichters van zijn tijd. Zijn gedicht 'De Vrouwen in vier gezangen' wordt gezien als zijn belangrijkste werk. Ook 'Het Vogelnestje', 'De nieuwe haring', 'Neerlands zeeroem' en 'Vrouwelijk schoon' worden daartoe gerekend. Zijn werk werd in het Frans en Duits vertaald. Verschillende dichtbundels beleefden meerdere drukken. Daarnaast schreef Spandaw toneelstukken die door veel toneelverenigingen werden opgevoerd.

Nieuwe Haring

Triomf! De vreugde stijgt in de top
Hijs, Holland, vlag en wimpels op
En doe den jubeltoon nu dav’ren langs uw strand!
Daar komt de kiel, met goud belaân,
Zij brengt ons d’eersten haring aan!

(Uit: 'De nieuwe haring', 1817).

In Nederland bleef zijn gedicht 'De nieuwe haring' het langst bekend bij het grote publiek. Toen de haringvissers tijdens de Franse overheersing niet uit konden varen, was daar veel onvrede over. Nadat de haringvisserij na 1813 weer vrijgegeven was, stelde Spandaw er een gedicht over op. Het gedicht werd in 1817 gepubliceerd en al gauw op muziek gezet. Het vaderlandslievende lied werd later graag gezongen op bijeenkomsten en kwam terecht in verschillende schoolboekjes. Ook bij veel muziekkorpsen hoorde het tot het vaste repertoire. In 1988 speelde het muziekkorps van Ezinge het nog regelmatig. Zo hadden de dichtregels van Spandaw meer dan anderhalve eeuw geklonken op feesten en partijen. Meer dan een eeuw na zijn overlijden in 1855.

<p>Haringschaal, De Porceleyne Byl, ca. 1760 - ca. 1790. - Foto: Collectie Rijksmuseum</p>

Haringschaal, De Porceleyne Byl, ca. 1760 - ca. 1790. - Foto: Collectie Rijksmuseum