Verhalen uit de regio

1648-1914

Jacht op een 'monsterhaas' bij Grijpskerk

In 1843 verscheen van Marten Douwes Teenstra (1795-1864) te Groningen: Volksverhalen en legenden van vroegere en latere dagen, dat handelde over spookverschijningen. Hierin staat een bijzonder verhaal over de jacht op een 'monsterhaas'.

Teenstra stamde uit een Fries landbouwersgeslacht dat zich in 1776 vestigde in Noord-Groningen. Aanvankelijk was hij agrariër op boerderij 'Arion' in de Noordpolder, maar hij werd in 1826 opzichter over wegen en bruggen in Java en was in de periode 1828-1834 landbouwadviseur in Suriname. Daarna vestigde Teenstra zich in het Noord-Groningse Ulrum. Van hem verschenen verschillende publicaties: over het Caraïbisch gebied en Indië, De Overzeesche bezittingen, maar ook een Stads en Dorpskroniek van Friesland, Groningen en Drenthe.

'Monsterhaas'

Het verhaal start met een vlasbouwer, bijgenaamd Teke Bakermat die bij Westerhorn, zuidwestelijk van Grijpskerk, de duivel in de gedaante van een haas had gezien: een ruig monster met lange oren, dat zich tussen het aardappelloof had verscholen. Teke vertelde dit zo emotioneel en geloofwaardig aan enkele soldaten met verlof (het was omstreeks de Belgische Opstand (1830-1831) en de legering van troepen in het Zuiden), dat zij onthutst waren. Reden voor Teke om het verhaal over zijn ontmoeting met 'den Booze' te doen tegenover de voltallige gemeenteraad die net in vergadering bijeen was. Met algemene stemmen besloot men tot een veldtocht onder leiding van veldwachter Jannes Reinders Noordhof, bijgenaamd 'Jannes Klok', door Teenstra 'den dapperen veldmaarschalk' genoemd.

'Veldtocht'

Een aantal vrijwilligers bewapende zich en dronk ter voorbereiding een flinke borrel. Daarna namen ze afscheid van hun dierbaren en marcheerden het dorp uit. Aan het westeinde, bij de smederij van Hindrik Hindriks Luurs, ontmoetten ze de angstige schipper Klaas Dirks van de Boer, die op een bouwsel was geklommen met hulp van de eveneens zeer bange deurwaarder der directe belastingen, Gerrit Johannes de Vries. Met een verrekijker volgde het duo het verloop van de aanval op het ondier. De deurwaarder, niet gewend aan een kijker, kreeg een zeer groot gedrocht in het vizier. Hij meende een 'Hydra', een veelkoppig monster, te herkennen dat met een omhoog gerichte kop naderde langs de Postweg. Onder de uitroep 'Och Heere' deed hij het in zijn broek van angst en liet de kijker vallen. Weer enigszins tot rust gekomen, zagen ze met het blote oog dat De Vries het koepeltorentje van de doopsgezinde kerk te Pieterzijl voor het monster had aangezien.

Plek des onheils

De groep dappere strijders bereikte ondertussen, niet zonder hartkloppingen, de plek des onheils. Onder het fluisteren van 'Sst! … sst!' naderden ze schoorvoetend, de blikken strak gericht op schuilplaats van de monsterlijke verschijning, als angstige schapen tegenover een hond. Dan… plotseling een beweging, iets ruigs dook… misschien om een aanval te doen? Broodbakker Klaas Jans de Poel uit Grijpskerk spande de haan van zijn geweer en richtte… 'Niet schieten!,' commandeerde de veldwachter, die alleen defensief wilde optreden. Er volgde geritsel. Weer wilde De Poel schieten, maar Noordhof beval opnieuw, ditmaal met bevende stem, dat niet te doen en duwde het geweer omhoog. De hierdoor geschrokken de haas sprong op en ging er vandoor.

Terugtocht

Daarop gaf de veldwachter het commando 'regts omkeert (…) en ging met een opgeruimd hart (en dat hij een hart had, was onloochenbaar, want men had het straks nog horen kloppen)' huiswaarts aan het hoofd van het troepje gewapende boeren en burgers. Teenstra beschrijft hoe ze terugkeerden naar het dorp, 'hetwelk zij onbeschroomd, met deftig afgemeten stappen kwamen binnen marcheren'. Op de voor het gemeentehuis gelegen 'Koekamp' van Boersema werd de groep ontbonden, 'keerende nu met triomf en glorie huiswaarts'. De dappere inwoners van Grijpskerk hadden de duivel, want die was het volgens hen geweest in de gedaante van een haas, verjaagd.

Spot

De doopsgezinde Teenstra vertelt het verhaal met de nodige spot, evenals vele andere verhalen in zijn bundel. In zijn tijd tiert het bijgeloof nog welig. Het is bovendien de tijd van de 'Afscheiding', of 'Vrijmaking', van de gereformeerde kerk, die zich afscheidt van de hervormde kerk. Dominee De Cock uit Ulrum speelde daarbij een hoofdrol. De verlichte en vrijzinnige Teenstra had het niet zozeer op deze religieuze richting begrepen. Hij schreef in zijn bundel dat er nergens meer spookverschijnselen voorkwamen en geloof in schimmen van overledenen bestond dan in zijn woonplaats Ulrum en het naburige Zoutkamp. Hij zag zijn dorp als een 'broeinest van Piëtismus' (bevindelijk Christendom), waar men de liefdevolle God zag als een afschuwelijke en onrechtvaardige tiran en de duivel als een almachtig wezen.

Van de meeste personen in zijn verhaal over de monsterhaas vermeldt Teenstra alleen het beroep en enkele initialen, maar na onderzoek blijken het toch echte personen te zijn. Noch in het gemeentearchief, noch in de provinciale krant is – tot nu toe – echter iets te vinden over deze spookverschijning die het dorp in rep en roer zou hebben gebracht. Teenstra dateert het voorval in 1835, maar de deurwaarder overleed al in 1831, zodat of de datering fout is, of hij vergist zich in de naam. Dat B en W veldwachter Noordhof in ieder geval een competent man vond, blijkt toen men hem in 1830 zeer geschikt achtte als 'extra-ordinaris opziener van de Jagt en Visscherij'.

 

Bronnen:
M.D. Teenstra, Volksverhalen en legenden van vroegere en latere dagen (1843; herdr. 1973);
Archief Gemeente Zuidhorn, met dank aan mevr. C. Wiendels.