Borgen: kastelen van het hoge noorden

Het Slochterbos: een 'pretpark met bomen'

Het project Groninger Borgen en Tuinen is een samenwerkingsproject van Erfgoedpartners en de borgen. De Verhalen van Groningen was op 15 november 2016 aanwezig tijdens het tuinverhalencafé op de Fraeylemaborg en tekende vele anekdotes en verhalen op.

Het Slochterbos: een 'pretpark met bomen'

De driesprong over de Rivier bij de Hooge Berg achterin het park van de Fraeylemaborg. - Foto: Fraeylemaborg

De tuin bij de Fraeylemaborg werd eind 17e eeuw door eigenaar Piccardt ingericht met lange barokke zichtassen, de langste van Nederland. De tuin is 1,3 kilometer lang en vooral de middenas is indrukwekkend. Piccardt verkeerde aan het hof van Lodewijk XIV en waarschijnlijk heeft hij diens Franse tuinen voor ogen gehad. De formele aanleg is in de 19e eeuw uitgebreid in de wat lossere Engelse landschapsstijl, die later nog verder is toegepast. Vooral het bosachtige karakter (het ‘Slochterbos’) is kenmerkend voor de Fraeylemaborg.

Flora

Tineke Neyman is verhalenvertelster en trapt het verhalencafé af met een legende over Flora van het Slochterbos. Het standbeeld dat de Dikke Boom altijd vergezelde (totdat deze laatste omviel) was geen beeltenis van een godin, maar van de dochter van een vroegere borgheer. Het knappe en belezen meisje zocht de ware liefde, waarover ze in haar boeken had gelezen. Toen een jongeman zich aandiende en zijn liefde voor haar verklaarde, vroeg ze om bedenktijd. Want was dit de ware liefde? Ze aarzelde en aarzelde, totdat de jongen haar voor het blok stelde: hij wilde antwoord op zijn huwelijksaanzoek en als hij dat niet snel kreeg, zou hij weggaan en huursoldaat worden. Het meisje gaf haar antwoord niet, want ze wist het nog altijd niet zeker en bovendien: als het ware liefde was, zou hij toch wel terugkomen? Maar haar jongeman kwam niet meer terug en het meisje realiseerde zich: als je het eenmaal niet meer hebt, dan weet je pas wat het was. Ondanks vele andere aanzoeken bleef ze de rest van haar leven alleen. Haar standbeeld kijkt een beetje triest achterom, alsof ze nog altijd zoekt naar wat ze is verloren.

Geert Hommes (1960): “Als het koud was, deden we het standbeeld van Flora vaak een das om.”

Borgboerderij

Gerhard Landman (1944): “Mijn vader had een loonbedrijf en hij werkte veel op de borgboerderij. Als jongen van een jaar of zestien hielp ik mee in het bedrijf en als we aan het werk waren op de Fraeylemaborg, luidde de klok om 12 uur. Dan moesten we pauzeren tot 2 uur, wanneer de klok weer luidde. In de tussentijd deed meneer zijn middagdutje.”
“De boer die hiernaast woonde (in het huidige restaurant), had koeien. Als loonbedrijf moesten wij van alles doen: maaien, balen persen, maar ook de stront weghalen. Dat mocht van meneer niet via de oprijlaan. En eigenlijk mocht het ook niet stinken!”

Els Janssens (1937) is de buurvrouw van de Fraeylemaborg. Ze heeft bovendien van 1980 tot 1998 gewerkt als gastvrouw op de borg. “En zelf ben ik geboren op de Omtadaborg op ‘t Zandt, die nu geen borg meer is.” Ze heeft vele verhalen over de borg, de bewoners en de tuin.
“Op zaterdag moesten we altijd het pad schoon hebben. Dat was de gewoonte in het dorp, ook omdat het pad naar de kerk aangeharkt moest zijn als mevrouw op zondag naar de kerk liep. Zij liep dan voorop en de rest van het dorp kwam er achteraan. Ik vond dat heel raar toen ik dat voor het eerst meemaakte.
Ik was niet zo goed bevriend met Jan en Soetje, die op de borgboerderij woonden. Het gebeurde veel te vaak dat ik op zaterdagochtend mijn pad net had geharkt en dat hun koeien dan verweid werden en over mijn pad trappelden. Ik kon weer opnieuw beginnen!”

Zendingsfeesten

De jaarlijkse zendingsfeesten vonden plaats met Hemelvaart en er kwam veel volk op af, soms tot wel 6000 man. Jeanne van der Hoop, de oudste dochter van borgheer Evert Jan Thomassen à Thuessink van Der Hoop Van Slochteren, vertelde in een gedenkboek: “Vader had een comité gemaakt met de dominee, de hoofdonderwijzer en verschillende boeren, ik dacht zo’n man of zes of zeven. En de evangelist zat erin.
Er waren vaste onderdelen. Er waren een paar tentjes waar je verversingen kon krijgen. Broodjes en thee en koffie en waarschijnlijk wel limonades. Wij hadden een eigen tentje waar de sprekers waren, daar zaten mijn ouders dus daar zat je als kind ook bij. En dan was er het muziekkorps van Slochteren en Schildwolde, dat was van gereformeerden en hervormden samen. Dacht ik hoor. Woudklank heette het. En het koor was meestal het koor van de Hervormde Kerk. En dan waren er altijd twee sprekers van buitenaf. Er is een keer een bisschop uit Hongarije geweest, daar heb ik later nog een keer gelogeerd.
De jeugd kwam er, het trok jongens en meisjes aan, want het was natuurlijk de hele Hemelvaartdag.”

De optredens vonden plaats achterin het bos. Landman: “De Dikke Boom was het centrale punt.” Wat de feesten met Zending te maken hadden, kunnen de aanwezigen zich niet precies herinneren. Hilda Mulder (1934): “Meneer was wel christelijk. Hij was lid van de CHU.”

Toegankelijkheid

In de jaren dertig de borgheer in de krant zetten dat er entree geheven zou worden voor het Slochterbos. Aan het hek hing een collectebus, waar op stond: 'Van ieder die dit bosch bezoekt wordt een gave gevraagd voor nuttige en liefdadige doeleinden'. Fraeylemaborg-conservator Henny van Harten weet dat er vroeger redelijke opbrengsten gehaald werden van de entreeheffing. Maar de gasten herinneren zich een latere tijd: "Er zat meestal niets in, misschien een oude knoop."

In de jaren zeventig, nadat mevrouw was overleden, is korte tijd geprobeerd om entree te heffen voor het Slochterbos. Er waren jaarkaarten in omloop en een tijdje ook dagkaarten, maar erg lang heeft die periode niet geduurd. Tegenwoordig staat er nog altijd een bus bij de ingang van het park met de vraag om een vrijwillige bijdrage. De inhoud is wisselend, maar soms best aardig!

Hilda Mulder:“Je mocht helemaal niet zo vaak in het bos. Met Hemelvaart was het open en met Pinksteren. Achteraan, bij de Noordbroeksterweg, kon je wel onder het hek door.”
Els Janssens: “Het gedeelte wat nu de Engelse tuin is, daar mocht je helemaal niet in. Dat was voor de familie. Er stonden geen hekken, maar je wist dat je daar gewoon niet moest komen. Dat respect dwongen ze af. Het waren andere tijden.”

“Vroeger mocht je niet op het middenpad lopen. Over het middenpad had je vanaf de borg vrij uitzicht en iemand die over het middenpad liep en dat uitzicht belemmerde, dat was onmogelijk. Meneer stond vroeger met een verrekijker in een van de erkers te kijken naar de kerktorens van Schildwolde, Noordbroek en Slochteren.”

Landman: “In Slochteren stond de Landbouwschool naast de Huishoudschool. Dat was natuurlijk vragen om problemen! De jongens en meisjes mochten niet samen zijn, maar als je een uurtje vrij had, deed je het toch en dan ging je samen achterom het Bos in. Daar had je je eerste liefde en kreeg je je eerste smok, allemaal rondom de Dikke Boom. Daar was toch minder toezicht, omdat het zo ver van de borg was.”

Susanne Nieman (1955): “In het gezin van mijn moeder, die in 1922 werd geboren, was zij veruit de oudste. In de oorlog moest zij met de kleinere kinderen hout sprokkelen voor de kachel. Dan ging ze met de kinderwagen vanuit Froombosch naar het Slochterbos. Maar eerst moesten ze permissie vragen aan de oude mevrouw of ze wel in het bos mochten sprokkelen. En mevrouw, dat was nogal een dame! Maar ze keek even en zei dan: 'De kindertjes Dijkema? Ja, dat mag!'”

Spelen in het Bos

In Slochteren, maar ook daarbuiten, wordt nog altijd gezegd: “We gaan naar Bos.” Waarschijnlijk ook omdat er niet veel echte bossen in de omgeving zijn. Het Slochterbos is in dat opzicht een echte attractie.

Anneke Veenstra uit Uithuizen (1947): In 2014 gingen we met onze kleinkinderen van 10 en 7 een middag naar de Fraeylemaborg. We wandelden door het bos en de kinderen waren dolenthousiast. Ze riepen steeds: ‘Kijk eens wat een dikke wortels!’ of ‘Zullen we meten hoe dik deze boom is?’ Ze sprongen in droge sloten, vonden omgevallen bomen om op te klauteren en hadden de tijd van hun leven. Toen hun ouders ‘s avonds belden en vroegen of ze nog wat gedaan hadden, was het antwoord: “We zijn in een pretpark geweest met allemaal bomen.”

Reinhilde Kwekkeboom (1956): “Het was in 1988 en ik was actief in de kinderspelweken in Noordbroek . Volgens mij gingen we met trekker met strobalen naar het Slochterbos. Ik kan nog wel eens heel enthousiast zijn en vind het erg leuk om kindergroepen te leiden, dus ik ging helemaal in het spel op. Maar opeens ging door mijn hoofd heen: waar zijn mijn eigen kinderen? Die waren twee , vier en vijf jaar oud en die jongste van twee was nergens te vinden. De hele groep viel stil en trok bleek weg, want met al dat water hier dachten we meteen dat ze verdronken was! En we zijn gaan zoeken, zoeken, zoeken...! We keken vooral naar het water, maar op een gegeven moment kijken we op en daar stond Sofie, op het bordes voor de deur van de Fraeylemaborg. Een klein kindje van twee jaar keek daar rond: 'Zo, dat is een mooie wereld!'
Nu weet ik wel dat de Kinderboom dichtbij was, maar zo’n mooi wichtje als Sofie zou die me geen tweede keer schenken.”

Geert Hommes (1960): “Ik ben geboren in Slochteren aan de Zuiderweg en als kind kwam ik al vaak in het Bos. Mijn eerste vriendinnetje nam ik mee naar het bos. Ik was vaak ziek en niet zo sterk, dus ik had bedacht dat ik haar mee zou nemen op de skelter. De buurman had een bruine jachthond die je vandaag de dag een ADHD’er zou noemen; het beest was niet moe te krijgen. Ik heb hem aan een touw aan de skelter gebonden en zo reden Betsy en ik lekker door het bos heen. Maar dat ging op een bepaald moment helemaal verkeerd en we belandden in de takkerij. Haar witte kniekousen en lakschoentjes waren zwart van de modder. Betsy was gelukkig niet flauw: 'Och,' zei ze, 'Dat dut niks, ik draai ze wel om en geeneen ziet wat!'”

Hommes: “Met mijn kameraden speelde ik in het bos. Achterin, want we durfden haast niet naar de borg te kijken, zoveel respect hadden we voor de familie. We namen de skelter mee en duwden hem de berg op. Hij was van ijzer en heel zwaar, dus dat was hard werken. Daarna rolden we met een noodgang naar beneden, tot bij de brug met de driesprong. Je moet er niet aan denken wat er had kunnen gebeuren, maar het ging altijd goed.”

Martha Thijssen-Hartenhof (1955): “Mijn moeder stond erop dat wij met Sint Maarten hier naar toe gingen. Dus dat deden we dan ook braaf. We gingen eerst met onze lampion de kelder in, naar de familie Bolland, die toen hier woonde als huispersoneel. We zongen ons liedje en toen kregen we een appel, een beetje een wormstekige appel. Toen moesten we naar boven en moesten we in de hal nog een keer zingen. Maar we kregen niks extra, dat moest voor die zelfde wormstekige appel! Ik denk dat hij bij de koeien beland is!”

Schreuder

In het Slochterbos dwaalde ook een man rond, genaamd Schreuder. Er gaan allerlei fantastische verhalen over hem rond. Hij had zijn huis in het Siddebuursterveen en hij kon in één sprong over de Ringsloot springen, de waterscheiding tussen Noordbroek en Slochteren. Achterin het Slochterbos had hij een hol, waar hij verbleef als hij ging stropen. De meisjes die in de schemering in het Slochterbos liepen, waren doodsbang voor hem. “Hij had een mes in zijn mond en hijgde.”

Landman: “Meneer nodigde regelmatig zijn jagersvrienden uit en zorgde dan voor een uitstekend wildbestand, door hazen, fazanten en patrijzen uit te laten zetten. Wat is nu leuker voor een stroper? Dus Schreuder, die ook molenaar was, was aan het stropen, toen hij betrapt werd door meneer.
‘Molenaar,’ zei meneer, ‘ze vertellen mij dat u stroopt.’
‘Meneer,’ antwoordde Schreuder, ‘ze vertellen mij ook dat u met andere vrouwen gaat. Maar ik geloof het niet!’”

Hij heette Siebolt Schreuder, weet een mevrouw, die ook weet dat Schreuder ooit is opgepakt. “Mijn pa vertelde dat het winter was, want er zaten geen bladeren meer aan de bomen. Schreuder had een vuurtje in zijn hol gemaakt, want het was koud! De veldwachter zag die rook en toen was het met Schreuder gedaan. Toen is hij in de bak gekomen.

Landman: “Over Schreuder gaat ook de legende van de Grote Haas: Hij zat al jarenlang achter een dikke haas aan in het Slochterbos, maar hij kon hem steeds niet te pakken krijgen. Als je met dit herfstweer ‘s avonds bij de Fraeylemamolen op de Groenedijk loopt, dan kun je zijn geest nog horen hijgen, alsof hij nog altijd achter die grote haas aan zit.”

<p>De Geele Brug in de tuin van de Fraeylemaborg, enkele jaren geleden gerestaureerd aan de hand van oude tekeningen. - Foto: Fraeylemaborg</p>

De Geele Brug in de tuin van de Fraeylemaborg, enkele jaren geleden gerestaureerd aan de hand van oude tekeningen. - Foto: Fraeylemaborg

De truc van de 'frizze'

Een vrijwilliger die op de borg werkt: “We missen hier altijd bloemen. Je hoort dat er vroeger prachtige boeketten werden gemaakt, maar wij kunnen helemaal niets uit de tuin halen. Er zijn wel bloemen, maar dat mag geen naam hebben. Dat zou ik zo mooi vinden in de borg.

Gerard de Haan is al 26 jaar hoofd Interne Dienst, een soort huismeester op de Fraeylemaborg. “Ik heb heel veel geleerd van tuinman Van der Sluis. Ik was een indringer voor hem; Ik was nieuw, een frizze en wilde van alles veranderen en opruimen. Toch begon op een gegeven moment de leeftijd bij hem een beetje te spelen. Maar ik heb heel veel van hem geleerd, laat ik dat voorop stellen. Ook hoe je viooltjes moest poten: links blauw, rechts wit. En hoe ze verdeeld moesten worden: niet in het rond maar vierkant.”

“Van der Sluis was heel precies, vooral met de oranjerie. De deur moest niet open, of juist niet dicht en hij hamerde daar steeds op. Hij was heel trouw en deed precies wat meneer en mevrouw zeiden.
Van Van der Sluis leerde ik hoe de lindenhagen gesnoeid moesten worden en dus ook hoe hij in de oranjerie werkte. In de winter stonden daar de kuipplanten, maar toen ik zag dat hij die veel te warm had staan, kon ik hem er niet van overtuigen dat die planten in de winter wel vorstvrij moesten staan, maar dat de temperatuur een stuk lager moest zijn, zodat ze in een rustperiode kwamen. Hij stookte steeds maar warmer en warmer, totdat de dopluis erin kwam. Op den duur heb ik een tweede thermostaat aangelegd, waardoor ik zelf de temperatuur kon regelen en hem toch kon laten geloven dat het in de oranjerie goed warm was.”
Conservator Henny van Harten: “Dankzij Gerard leven die kuipplanten dus nog altijd!”