1815-1989

Stoomzuivelfabriek Grijpskerk

Als aan het eind van de 19e eeuw zuivelfabrieken worden opgericht in Zuidbroek, Winschoten en Aduard, neemt landbouwer Gaele Hoekstra het initiatief voor een bijeenkomst van belangstellenden om te komen tot een zuivelfabriek in Grijpskerk. Uiteindelijk leiden alle activiteiten tot de stichting van een fabriek aan de Riet aan de Waardweg, waar het gebouw nog steeds staat. De eerste fabriek bestaat uit een ketel- en machinekamer, een karn- en ontromingslokaal, een koelkamer, een boter- en pekelkelder, een kaaslokaal en een spoelplaats. In een uitbouw zijn een kaaspakhuis met ijshuis en een kolenbergplaats gevestigd.

Stoomzuivelfabriek Grijpskerk
Grijpskerk : stoomzuivelfabriek aan de Waardweg, ca. 1920-1940. - Foto: www.beeldbankgroningen.nl (818-6549)

Op 16 december 1888 wordt de acte van oprichting in de vorm van een naamloze vennootschap door 18 landbouwers uit de omgeving van Grijpskerk getekend. Op 14 januari 1889 treedt de fabriek in werking.

De directeuren

De eerste directeur wordt de initiatiefnemer Cornelis Gaele Hoekstra. Deze wordt echter al in 1891 ontslagen en het dagelijks bestuur treedt af. Opvolgende directeuren zijn Klaas Eriks Azn (1891-1896), Jarig Wiglama (1896-1901) en Roelof Adrianus Feenstra (1901-1903). Daarna wordt Jan Derk Boersema directeur en hij zal de fabriek vele jaren, tot zijn ziekte in 1939, met grote deskundigheid leiden. Zijn schoonzoon Jacob Douwes Siebenga volgt hem op tot het eind van het bestaan van de fabriek in 1969.

Successen

Deze periode kenmerkt zich door snelle groei en voorspoed, resulterend in de viering van het 50-jarig bestaan in 1939. Het aantal leveranciers en daarmee de hoeveelheid melk neemt met sprongen toe. Deze groei heeft tot aan het jubileumjaar bouwkundige gevolgen (directeurswoning, huizen voor personeel, diverse fabrieksuitbreidingen).
In kwalitatief resulteren de successen in de gouden medaille op een internationale tentoonstelling van boter in 1909 in Boedapest en ook een gouden medaille op de wereldtentoonstelling te Brussel in 1935.

Watervoorziening

Door de jaren heen kampt de fabriek met grote problemen met de watervoorziening, zowel met de aanvoer van het schone als de afvoer van het vuile water. Voor het oplossen van het koelwatervraagstuk worden nortonpompen ingezet, maar het water is ijzerhoudend, zout en bepaald niet reukloos. Voor het spoelwater en het voedingswater voor de stoomketels neemt men zijn toevlucht tot de nabijgelegen Zuiderriet en later, door middel van een verbinding, ook de Noorderriet. De Zuiderriet wordt echter ook gebruikt als afvoer van het vuile water en dat stroomt steeds weer naar de fabriek terug. Door het aanbrengen van een schuif wordt dat probleem opgelost, maar de veehouders zijn daar niet altijd blij mee. De definitieve oplossing wordt gevonden door de aanleg van een 3,5 km lange houten afvoerleiding naar het Pieterzijlsterdiep.

Grote veranderingen

Kenmerkte het directeurschap van Jan Derk Boersema zich door grote bloei en voorspoed van de zuivelfabriek, zijn schoonzoon krijgt te maken met grote veranderingen en reorganisaties in de zuivelwereld, die er uiteindelijk toe zullen leiden dat de werkzaamheden in de fabriek in 1969 wordt gestaakt.

Na de Tweede Wereldoorlog

De vijf oorlogsjaren en ook enkele jaren daarna worden, net als in de vorige oorlog, gekenmerkt door grote overheidsbemoeienis. Bepaalde producten mogen niet langer worden gemaakt (volle gecondenseerde melk en melkpoeder), andere moeten weer in voorgeschreven hoeveelheden worden geproduceerd (caseïne en verstuivingspoeder), dan moeten er weer producten aan andere zuivelfabrieken worden geleverd en soms staat de fabriek stil.

In het jaarverslag 1945-1946 wordt een tekort aan melkers geconstateerd en doet men in Engeland onderzoek naar machinaal melken. Er wordt een proef gestart met een verrijdbare melkmachine op een jeep. De deelnemers aan de proef blijken na een jaar erg tevreden te zijn, maar intussen hebben verschillende veehouders zelf een melkmachine aangeschaft: in de provincie Groningen een kleine vijftig bedrijven.
De export komt weer op gang: boter en kaas worden geëxporteerd naar veel Europese en tropische landen. De gecondenseerde melk met suiker gaat voornamelijk naar de tropische landen. In 1949 wordt de kaasmakerij te klein en wordt een grote kaasmakerij gebouwd, die in 1951 gereed is.

Coöperatieve Zuivel- en Melkproductenfabriek “Grijpskerk”

In de jaren 1950-1956 leidt de poging tot omzetting van de NV in een coöperatieve vereniging tot veel discussie. Een fusie met de zuivelfabriek in Ezinge mislukt. Op een buitengewone aandeelhoudersvergadering op 18 maart 1952 wordt uiteindelijk met algemene stemmen het besluit aangenomen dat de oude NV blijft bestaan. De coöperatieve vereniging gaat de melk verwerken en huurt de fabriek van de NV. Dit besluit wordt vervolgens juridisch aangevochten. Desondanks wordt in 1952 de Coöperatieve Zuivel- en Melkproductenfabriek “Grijpskerk” G.A. opgericht, die tot de definitieve uitspraak in 1955 een slapend bestaan leidt. Op 1 april 1956 treedt de vereniging formeel in werking. De coöperatie koopt een groot gedeelte van de inventaris en huurt de rest van de inventaris en de gebouwen van de NV.

Grijpskerk, Zuivelfabriek, ansicht uit 1964. - www.beeldbankgroningen.nl (1986-11242)
Grijpskerk, Zuivelfabriek, ansicht uit 1964. - www.beeldbankgroningen.nl (1986-11242)

Onrust in de zuivelwereld

In 1963 is het onrustig in de zuivelwereld. Eerst speelt de vraag of de zuivelfabrieken van Ezinge, Marum en Grijpskerk als niet-Friese fabrieken deelgenoot kunnen worden van de Coöperatieve Condensfabriek Friesland (CCF). Hoewel Grijpskerk begin 1968 in de kranten nog wordt genoemd als de prijsleider bij de bepaling van de melkprijs van de zuivelfabrieken in Groningen, besluiten de besturen van de zuivelfabrieken van Grijpskerk en Gerkesklooster een paar maanden later fusieplannen aan hun leden voor te leggen. De melkaanvoergebieden van beide fabrieken lopen sterk door elkaar heen met als gevolg hoge extra kosten voor het melkvervoer. Bovendien wordt door de fusie het deelgenootschap van de CCF alsnog verkregen met als positief gevolg een hogere melkprijs. Wat mogelijk ook een rol speelt, is dat directeur Siebenga in 1969 pensioengerechtigd wordt.

Van de 70 miljoen kg melk levert Gerkesklooster 40 miljoen en Grijpskerk 30 miljoen. Hoewel aanvankelijk nog sprake is van een rationele verdeling van de melkvoorraad, wordt heel snel de knoop doorgehakt ten gunste van Gerkesklooster. Zodra deze fabriek de totale melkvoorraad kan verwerken, gaat Grijpskerk sluiten. Het personeel wordt grotendeels overgenomen.
Op 9 september 1969 besluit de algemene vergadering van aandeelhouders tot ontbinding van de naamloze vennootschap “N.V. Stoomzuivelfabriek te Grijpskerk”. Nog dezelfde dag wordt dit besluit bij notariële akte door het bestuur bekrachtigd.

Slotakte

In januari 1970 speelt zich de slotscène af van de eens zo welvarende zuivelfabriek en wordt de fabriek geveild. De veiling levert 427.000 euro op, waarvan slechts 103.000 euro voor de fabriek en 324.000 euro voor de inventaris. Op 14 mei 1980 verdwijnt het laatste restant van wat eens een bloeiende zuivelfabriek was en wordt de schoorsteen met anderhalve kilo springstof opgeblazen. Het gebouwencomplex doet nu dienst als bedrijfsverzamelgebouw.