1300-1648

Roerig klooster Heiligerlee

De nonnen van Mons Sinaï zaten pal in de vuurlinie: voor de poorten van hun klooster werd de Slag bij Heiligerlee geleverd (1568) en de gesneuvelde graaf Adolf werd opgebaard in hun kloosterkerk. Hoewel de 'witte vrouwen' zijn lichaam liefderijk verzorgden, werd hun klooster in 1597 geslecht. De 'gereformeerde religie' kende geen pardon. Einde klooster, einde nonnen. Maar zie, hun betekenis keert terug, in de vorm van een Winschoter straatnaam: Wittevrouwenstraatdrift. Met dank aan de gemeente Oldambt en de stichting Oud Winschoten.

Roerig klooster Heiligerlee

De slag bij Heiligerlee in 1568, waar 'Graaf Adolf is gebleven'. - Litho door F. Hogenberg, www.beeldbankgroningen.nl (817_10242.2)

Kijk ze schrijden, de nonnen in hun wit habijt. Een hele sliert, zacht Gregoriaanse gezangen neuriënd. Hun zwarte sluier wappert in de wind. Devoot lopen ze over het meest begaanbare pad in een woestenij, een oude zandrug van Hannover naar de stad Groningen. Het pad is in trek bij kooplui en marskramers. Maar ook de nonnen maken er gebruik van als zij van hun klooster Mons Sinaï in Heiligerlee ter kerke gaan in Winschoten. Later zal dat pad een straat worden en hun naam dragen: de Wittevrouwenstraat, nu Langestraat, de winkelstraat van Winschoten.

Dor land

“Een eenzaam, waarlijk onbegaanbaar en dor land waar geen mens kwam en geen man woonde.” Erg lovend is de kroniekschrijver niet over de plek die nu Heiligerlee heet en waar in 1230 Mons Sinaï verrees. De monnik van toen tekende zijn bedenkingen op in het scriptorium van de abdij Mariëngaarde in Hallum nabij Leeuwarden. Heiligerlee viel onder die abdij. De Norbertijner orde waartoe Mons Sinaï behoorde, kende als regel dat een nieuw klooster de bescherming (paterniteit) nodig had van een abdij, het moederklooster.
Proost (hoogste monnik) Herderic van het klooster Gracia Sanctiae Mariae te Schildwolde, was de stichter van Mons Sinaï. Zijn tante Etelsedis bezat de woeste gronden bij Winschoten. Herderic rook zijn kans en wilde met de stichting zijn invloed vergroten. Hij koos een hoogte – ‘lee’ – in het land uit en noemde de plek eerst Oosterlee, later veranderd in Heiligerlee, naar de daar wonende nonnen.

Bon vivant

Herderic was een bon vivant. Hij dronk, gooide geld over de balk en deed aan vriendjespolitiek. Met de geleerde abt Emo van Wittewierum stond hij op slechte voet. Emo beschreef in zijn kroniek de vele misstappen van Herderic.

Hoe controversieel Herderic ook was, Mons Sinaï verwierf een aardig bezit. Eind 16e eeuw, toen het klooster ontmanteld werd, besloeg het complex 1473 hectare, de meeste grond in de buurt van Heiligerlee, Westerlee en Winschoten. Maar het klooster had ook land in Eexta, Beerta, Scheemda en Blijham. Het klooster kende ook een eigen tichelwerk (steenfabriek) en voorwerken, waar lekenbroeders in dienst van de nonnen landarbeid verrichten.

Mons Sinaï was een voor die tijd groot klooster met 180 nonnen. Later nam dat aantal af en vooral in de Tachtigjarige Oorlog werd hun aantal flink uitgedund. In die dagen hadden vrouwenkloosters nogal eens te lijden van bendes onverlaten die zich als dronkenlappen misdroegen.
Maar De Slag bij Heiligerlee (1568) betekende eigenlijk de genadeklap. De katholieken werden verjaagd, de protestanten namen de macht over en dat gebeurde niet zachtzinnig. Veel van het culturele erfgoed werd tot puin geslagen.

Witte wieven

Zoals IS het culturele erfgoed in het Midden-Oosten vernielt, zo sloopten bijna 500 jaar eerder de protestanten het kloostercomplex. Kerk, ziekenzaal, eet- en slaapzaal en schuren van Mons Sinaï werden tot op de laatste steen afgebroken. De overgebleven kloosterlingen trof gelukkig niet het lot van IS-gevangenen. Zij werden niet onthoofd, maar ontvingen een karig 'jaargeld', een soort alimentatie.

Het omvangrijke bezit van het klooster verviel aan de Staten van Stad en Lande. De plek, nu een vredig oord voor wandelaars, kreeg na de ontmanteling van Mons Sinaï de naam De Hoogte. Boeren streken daar neer en bebouwden het land.

Tijdens de invoering van de burgerlijke stand in 1811, toen Napoleon de scepter zwaaide over de Nederlanden, moest iedereen een achternaam aannemen en zo kozen de boeren op De Hoogte voor Kloosterboer. Een van die laatste boeren, Ayolt Kloosterboer, herinnert zich dat de plek vol zat en zit met keien. De laatste IJstijd moet op die stuwwal massa's keien hebben 'neergelegd'. Heel grote soms, van zes, zeven ton. Keien hebben de nare eigenschap in de bodem te 'groeien' en dus stootte Kloosterboer regelmatig bij het ploegen op een steen. Elk jaar haalde hij een wagen vol keien van zijn land.

Bij Heiligerleesters bleef De Hoogte tot de verbeelding spreken. De dienstbode van Kloosterboer durfde ‘s avonds niet over de oprijlaan naar huis, zo wil de overlevering. Ze was bang voor de 'witte wieven' die uit de sloot omhoog stegen en zich in het donker vertoonden. Aardappelschippers voelden zich op die plek in het donker ook niet op hun gemak. Ze verlegden hun schuit naar even verderop.

Ayolt was de laatste boerende Kloosterboer, de enige boer ook in Heiligerlee. Hij stopte in 1970 en Staatsbosbeheer beplantte het land met bos in en legde paden aan. Met een beetje fantasie herleeft voor de wandelaar op die plek de stilte van het klooster en hoort hij ijl Gregoriaans gezang.