Kastelen van het Noorden

1300-1648

Het huis Rensuma in Uithuizermeeden

Met Uithuizermeeden is iets bijzonders aan de hand. Het dorp bestond lang geleden uit twee dorpen. Het oudste deel lag achter de Ol Diek, de oude dijk uit omstreeks 1250, die lag waar nu nog de Oude Dijksterweg loopt. In dit binnendijkse deel van Uithuizermeeden bevindt zich ook de prachtige kerk met zijn opvallende baroktoren. Het andere deel van het dorp lag op de hoog opgeslibde kwelder buitendijks, en dat is waar tot voor enige jaren het gemeentehuis was gevestigd. De bijzondere ligging van het ‘dubbeldorp’ is het gevolg van de dynamiek van het waddenlandschap.

Reyndismadele

Op ongeveer 750 meter ten noorden van de Nederlands Hervormde kerk van Uithuizermeeden ligt het landgoed Rensuma, dichtbij de Ol Diek. Wanneer de vroegste voorganger van het tegenwoordige huis ontstond is niet precies bekend. In 1379 wordt het huis Reyndismadele onder Uithuizermeeden genoemd. In het begin van de 15de eeuw woonden leden van de familie Reindesma in het huis. Over deze familie is verder niets bekend, al zullen ze tot de invloedrijke boerengeslachten gehoord hebben. Bij een restauratie in 1977 kwamen muurresten aan het licht, die op de restanten van een middeleeuws steenhuis wijzen. Mogelijk ging het hier om een zogenaamd langhuis met afmetingen van 17 bij 8 meter. De kelder links onder het voorhuis is uit kloostermoppen opgetrokken. In het midden van de 15de eeuw vertrok de laatste Reindesma naar Rasquert. Een dochter was getrouwd met Hidde Aylckema, hoofdeling in Rasquert. Door het huwelijk van zijn kleindochter Beetke van Rasquert met Wigbolt van Ewsum in 1502, kwam Rensuma in handen van het geslacht Ewsum.

Van boerderij naar borg

Rensuma werd als boerderij verhuurd en staat in het klauwregister van de dijkrecht in 1553 als Reindtsumaheerd vermeld. Het duurt tot 1623 voordat we weer een vermelding van Rensema, zoals het toen geschreven werd, tegenkomen. Toen was het de woonplaats van een zekere Willem Fockes. Vermoedelijk was hij een pachter. Vanaf 1662 was Rensema een adellijke heerd. Er is een rekening bewaard van gebrandschilderde ruitjes die ondertekend was door jonker Petrus van Aggema die zich Heer op Rensema noemde. Petrus van Aggema was gehuwd met Maria Bibiana van Wijtsma die geboren was op de borg Alma onder Bedum.

Petrus van Aggema was onder andere collator van Uithuizermeeden. Dat betekende dat hij het recht had predikanten aan te stellen. Dat was niet alleen een zaak van prestige, maar vooral ook financieel interessant, omdat bij iedere beroeping een soms aanzienlijk bedrag aan de collator betaald moest worden. Na de dood van Petrus in 1685 erfde zijn dochter Teda Maria het bezit met de bijbehorende rechten. Zij verkocht in 1695 Rensuma aan Mello Alberda van Menkema. De verkoopakte vermeldt, dat: 

... haere borgh Rensema met de annexe schuire op Uithuijstermeeden gelegen, met ruim viertigh grassen binnen dijcx landt en vijff heemsteden, hebbende ten noorden van de Oldedijck, waerin vijff heemsteden sijn begrepen en waerin de heer van Hanckema een klein heemstede heeft liggen.

Mello stierf in 1699 en liet Rensuma na aan zijn zoon Onno Tamminga van Alberda. In de boedelbeschrijving werd nu ook melding gemaakt van het huis Rensuma met: 

... schathuis, hovinge, grachten en singels, het gestoelte [de herenbank in de kerk], de “oude begraftenisse” op het koor van de kerk en 40 grazen land bij het huis gelegen, met kooi en kooikershuis en nog 20 grazen met kwelder en aanwas. Voorts alle collatiën en dijkrechten op de heerden vallende, benevens alle huyssteden aldaar; alle redgerrechten, overrechten en zijlrechterklauwen; vijf grazen bij Rensuma gelegen, derdehalf grazen buitendijks ten oosten van de kooi en eindelijk nog 30 grazen.

Uit deze opsomming blijkt iets over het aanzienlijke landbezit en ook over de rol die de borgheer speelde in het lokale bestuur. Onno was verder ook lid van Gedeputeerde Staten van Stad en Lande en afgevaardigde in de Staten-Generaal, lid van de provinciale rekenkamer, luitenant van de Hoge Justitiekamer, zijlrechter van de Eppenhuizer eed van de schepperij Zandeweer en curator van de Groningse Hogeschool. Onno Tamminga van Alberda was gehuwd met Josina Petronella Clant, die was geboren op Nijenstein te Zandeweer. 

Verbouwing

De nieuwe eigenaren lieten Rensuma in 1700 geheel vernieuwen. Het huis was niet in het water gebouwd en het bezat ook geen trap- of uitkijktoren, wat betekent dat het geen verdedigingsfunctie had. Wel waren er grachten met verhoogde singels en dichte bosschages, die vooral dienden om aanvallen van landlopers te weren en als bescherming tegen overstromingen. Het zag er eerder uit als buitenplaats dan als borg. We kennen het huis van een afbeelding op de Beckeringhkaart uit 1781. Hierop zien we een monumentale dubbele voordeur met een rijk gesneden bovenlicht. Links en rechts van de voordeur vinden we vier smalle vensters met kleine ruitjes. Boven de voordeur zien we een arkeneel met een klokgevel. Hier bevond zich de logeerkamer. Het dak was een rondgaand schilddak met op de vier hoeken schoorstenen met windwijzers.

Kerstvloed

In de loop van de 18de eeuw werden er nog verscheidene heerlijke rechten bijgekocht. In 1713 erfde Onno het huis Nijenstein van zijn schoonvader en ging daar wonen. Hij behield Rensuma en daarmee ook de daarbij behorende rechten in Uithuizermeeden.In die jaren nam Onno het voortouw bij de grondige verbouwing van de kerk van Uithuizermeeden. In 1717 begon de bouw van de beroemde toren, maar die werd onderbroken door de verschrikkelijke Kerstvloed van dat jaar.  De bouw van de toren was pas in 1726 voltooid. Bij de Kerstvloed van 1717 werd de Ommelander Zeedijk, de Ol Diek, op tal van plaatsen doorbroken en een groot deel van de provincie raakte overstroomd. Duizenden mensen verdronken net als tienduizenden stuks vee. De meiers van Tamminga van Alberda konden enkele jaren geen huur betalen.

Hoe Rensuma deze ramp doorstond is niet bekend, maar van herstel wordt ook niet gerept, zodat de schade daar waarschijnlijk meeviel.  Onno Tamminga van Alberda was in staat om vrij kort na de vloed weer aan nieuwe investeringen te denken, niet alleen aan de kerk van Uithuizermeeden, maar hij liet ook in 1729 de Zuurdijkster-Houwerzijlster Polder in het mondingsgebied van het Reitdiep inpolderen. Dat was geen kleinigheid; de polder was 345 hectare groot.

Een eeuw Alberda's

Onno Tamminga van Alberda gaf in 1718 Rensuma vermoedelijk in bruikleen aan zijn zoon Mello Alberda. Deze was lid van de Staten-Generaal, gedeputeerde in de Generaliteits Rekenkamer en erfschepper van het Winsumer en Schaphalster Zijlvest. In 1743 erfde Mello het huis. Mello verkocht in 1751 Rensuma met alle rechten aan zijn broer Egbert. In 1758 liet Egbert Alberda het huis restaureren zoals blijkt uit een gevelsteen in de achtermuur. Bij deze verbouwing werd een grote uitgebouwde kamer met uitzicht op de achtertuin gebouwd. Toen werden ook de schoorsteenmantels in een voorzichtige rococostijl aangebracht. In 1760 werd een nieuw schathuis gebouwd. 

In 1774 stierf Egbert kinderloos, waardoor het bezit overging in handen van zijn ongehuwde broer Willem. Willem Alberda liet Rensuma na aan zijn neef Onno Tamminga van Alberda. Onno Tamminga was raadsheer in de stad, na 1803 drost in Fivelgo en na 1813 lid van de Eerste en Tweede kamer. In 1825 werd hij in de adelstand verheven en mocht zich voortaan baron noemen. Hij stierf kinderloos in 1829, waarna het huis geveild werd. Het landbezit was toen 168 hectare groot en verder hoorden er nog allerlei kerkelijke rechten en posities in zijlvesten en schepperijen bij.

Grote verbouwing

De koper van Rensuma was Oncko van Swinderen, lid van de Tweede en Eerste Kamer en directeur van het doofstommeninstituut in Groningen. Van 1829 tot 1974 is Rensuma in het bezit van de familie Van Swinderen gebleven. De boerderijen die bij het landgoed hoorden werden verhuurd. De nieuwe eigenaar liet het huis ingrijpend verbouwen. De oude steile kap met zakgoot werd vervangen door een minder steil dak met een plat middenstuk waardoor de eerste verdieping werd vergroot. Er kwamen blauwgeglazuurde dakpannen. De vier schoorstenen verdwenen en werden vervangen door  schoorstenen op de zijgevels. De arkeneel boven de voorgevel werd veranderd in de 19de eeuwse chaletstijl en er kwam een balkon op rijk gesneden consoles. De schuiframen in de voorgevel werden groter. De muren werden gepleisterd met een motief van namaak zandsteen. De achtergevel behield meer het 18de eeuwse karakter. De uitbouw kreeg op de verdieping een groter venster. Na 1861 werd Rensuma niet meer permanent door de familie Van Swinderen bewoond. In 1863 eindigde de exploitatie van het landbouwbedrijf. In 1867 werden de bomen rond het huis gekapt en verkocht en vermoedelijk verdween toen ook het schathuis met grote schuur.

Burgemeesterswoning, tuinbouwschool, gemeentehuis

Het huis werd verhuurd onder andere aan burgemeester J. B. Westerdijk van Uithuizermeeden. Later was Westerdijk lid van Gedeputeerde Staten en van 1916 tot 1934. Tussen 1948 en 1965 was het huis als tuinbouwschool in gebruik. Nadat de school was vertrokken raakte het huis ernstig verwaarloosd. In 1974 verkocht de familie Van Swinderen Rensuma aan architect H.E. Nienhuis uit Uithuizermeeden en L.J. Offringa, wegenbouwer uit Den Haag, maar geboren in Uithuizermeeden en schoonzoon van Nienhuis. Zij wilden het huis restaureren om het daarna een openbare functie te geven, mogelijk als gemeentehuis. Door de gemeentelijke herindeling die dan al in een vergevorderd stadium is, kwam het hier niet meer van.

De restauratie was gereed in 1977. Bij de restauratie werden de vier schoorstenen weer op het dak geplaatst, ditmaal voorzien van 19de eeuwse kappen. Het vergrote venster op de verdieping in de achtergevel werd weer kleiner gemaakt. Het gevelschild dat herinnerde aan de verbouwing van 1758 werd vernieuwd. Het koetshuis werd voorzien van centrale verwarming en zo ingericht dat de ruimte geschikt was voor tentoonstellingen en vergaderingen. Het huis werd nu volledig eigendom van de familie Offringa, maar zij gingen er niet zelf wonen.

Restaurant met tuin

In 1987 werd het huis verhuurd als restaurant. L.J. Offringa verkocht het huis in 1989 aan de familie Brinkman, die het restaurant voortzette. In 1996 wisselde Rensuma opnieuw van eigenaar. Het huis werd aangekocht door de Stichting Rensuma Boon. Deze stichting ontleent haar naam ten dele aan Renske Titia Boon (1900-1985), tuinarchitect te Hoogezand. Zij was een groot kenner van de vele tuinen van boerderijen en landgoederen in Groningen. Tot haar verdriet verdwenen veel karakteristieke tuinen in Groningen in de tweede helft van de 20ste eeuw. In 1968 ontwierp zij de tuinen van de borg Verhildersum. De tuin rondom Rensuma is in haar geest ingericht.

Behouden

In 1998 werd een nieuwe garage gebouwd in bijpassende stijl. Het gevelbord dat bij de verbouwing van 1977 was vernieuwd bleek in slechte staat te verkeren. Het is opnieuw gemaakt, ditmaal van hardhout.

Niet alleen het uiterlijk van de Rensumaborg bleef zo door de eeuwen heen redelijk ongeschonden. Ook binnen zijn veel elementen behouden gebleven. De perioden van leegstand en verhuur in de tweede helft van de 19de en de 20ste eeuw betekenden ook dat er weinig veranderde in het gebouw. De belangrijkste elementen die de eeuwen overleefd hebben zijn het 17eeuwse balkenplafond, de 18de eeuwse rococo schouw in de salon. Interessant is ook de empire schoorsteenmantel in de voorkamer uit het begin van de 19de eeuw. Hier zijn veel van de 18de eeuwse vloerdelen, deuren en blinden bewaard gebleven. De oude kleuren groen, oker en ossenbloed zijn weer aangebracht. In de keuken wordt de aandacht getrokken door de 17de eeuw schouw en de 18de eeuwse servieskast.

De Rensumaborg is een van de Groninger borgen. Bij het grote publiek misschien minder bekend, maar net als andere adellijke huizen ven betekenis voor de Groninger geschiedenis. Waar gedurende de 18de en 19de eeuw tal van borgen gesloopt zijn, is dat lot Rensuma bespaard. Dat komt ongetwijfeld doordat de Rensumaborg eerder een buiten was dan een grote adellijke woonstee. De afmetingen en de mogelijkheden er enigszins comfortabel te wonen, maakten dat het huis bewaard bleef. Door particulier initiatief is het huis recent grondig gerestaureerd. Een interessant stuk Gronings erfgoed.