1300-1648

'Roege' Westerwoldse volksverhalen

In de veertiende eeuw is Westerwolde nog redelijk van de buitenwereld afgesloten. De bevolking gaat er zijn eigen gangetje en hoewel het gebied bestuurlijk van hand tot hand gaat, trekken de inwoners zich daar weinig van aan. Maar eind van die eeuw wordt dat anders!

'Roege' Westerwoldse volksverhalen

De roemruchte Wedderburcht. - Foto: Frans Berkelaar

In die tijd weet de hoofdelingenfamilie Addinga het bestuur over Westerwolde te verkrijgen. Ze komen uit Reiderland, waar ze door de verwoestende Marcellusvloed al hun bezittingen zijn kwijtgeraakt. Bij Wedde bouwen ze een borg, op een strategische plek die al eeuwen daarvoor bewoond moet zijn geweest. Al heel gauw krijgen de Westerwolders te maken met een wreed en meedogenloos bestuur. De bevolking ziet oude rechten en gewoonten verdwijnen en komt in opstand. Egge Addinga I, zoon van stamvader Adde Addinga, wordt vermoord. Maar zijn nazaten zijn helaas geen spat beter.

Een eeuw Addinga's

De Addinga's hebben het recht op jagen op groot wild en als de jacht toevallig dwars door de akkers van de boeren gaat, is klagen daarover zinloos. De ganzen, het wild van het volk, zijn ook niet veilig voor het burchtvolk. Volgens overlevering maken vooral Haye en zijn zoon Egge II zich schuldig aan afpersing, plundering en ontvoering van jonge maagden en wie zich verzet, riskeert een marteling op de Giezelbarg bij Wedde.
Bijna honderd jaar kan de familie min of meer haar gang gaan, maar tegen Pasen 1475 pikt de bevolking het niet langer. Vlak bij zijn eigen Burcht wordt Egge Addinga II door een woedende menigte van boeren en burgers doodgeslagen. Kort daarna roept de bevolking de hulp van de Stad Groningen in en in 1478 maken troepen van de Stad de Wedder Burcht met de grond gelijk. De Burcht zal door de familie nog wel herbouwd worden, maar met de macht van de Addinga's is het dan gedaan.

Volksverhalen

Het tijdperk van deze familie mag dan wel voorbij zijn, de verhalen leven voort. Ongetwijfeld gebaseerd op waargebeurde feiten, worden ze als volksverhaal doorverteld op feesten en partijen en 's winters bij het haardvuur. Hier en daar wat aangedikt en aan wat men niet weet of niet kan verklaren wordt een mythologische draai gegeven. In de negentiende eeuw nemen verschillende schrijvers de pen ter hand en worden de verhalen opgetekend.

Zoals het verhaal over Roege Wilt, een 'minkukel' uit Onstwedde, die voor galg en rad opgroeit, rooft en mishandelt. Als Roege Wilt zich aansluit bij de troepen van de keizer haalt de bevolking opgelucht adem. Maar Wilt keert terug en vestigt zich in een hol in de Roege Baarg in Ter Wupping en sluit een verbond met de duivel.

En dan het onvervalste liefdesverhaal over de veertigjarige vrijgezel Aycke van Ellersinghuizen, die, als hij een achttienjarige schoonheid redt uit de handen van haar ontvoerders, op slag verliefd wordt. Natuurlijk krijgen de geliefden elkaar nog niet direct, want het verhaal speelt nu eenmaal in een tijd vol gevaren.

Schrijvers

Ammo Henderikus Smith, in 1860 geboren in Onstwedde, schreef het verhaal over Roege Wilt in 1929 op. Hij was schoolmeester in Heiligerlee en Zuidbroek en ook leraar Nederlands in Veendam.
In dezelfde tijd was Albertus Johannes Smith ook aan het schrijven. Hij was hoofd van de Noorderschool in Noordbroek, bovendien schrijver en amateurhistoricus. Van hem is het verhaal over Aycke van Ellersinghuizen, dat in 1896 als feuilleton verscheen in het Nieuwsblad van het Noorden. Hoewel de achternaam van beide schrijvers anders doet vermoeden, waren ze, voor zover bekend, geen familie van elkaar. Maar omdat ze allebei in dezelfde regio aan het werk waren én allebei schreven, moeten ze elkaar wel haast gekend hebben, of in ieder geval van elkaar hebben geweten.