Groninger kerken , Wadden en water

1300-1648

Watermanagement door de monniken van Aduard

De cisterciënzer monniken van het Sint Bernardusklooster drukten tussen 1200 en 1600 een stempel op het landschap rond Aduard. Met onder meer dijken, kanalen, zijlen (sluizen) en bruggen beteugelden ze het water.

Watermanagement door de monniken van Aduard

Kloostermuseum Aduard. - Foto: Marketing Groningen

Jantienus Bakker (71) uit Zuidhorn, schrijver van het boekje Watermanagement door de monniken van Aduard, van Waddenland tot wat een land!, verduidelijkt dat de zee en het zoete water werden bedwongen ‘onder leiding’ van de cisterciënzers. De monniken klaarden niet alle klussen – waaronder dijkaanleg - zelf, maar huurden daarvoor ook veel mensen in, benadrukt hij. Bovendien waren binnen het door hen in het leven geroepen Aduarderzijlvest – een voorloper van het huidige waterschap – landeigenaren verantwoordelijk voor de dijkdelen die hun grond tegen overstromingen beschermden.

Meesters

Uit het boekje van Bakker – vrijwilliger van het kloostermuseum – blijkt dat de monniken ‘meesters’ werden in het bedwingen van het water in Middag-Humsterland, een gebied van waar de zee lange tijd vrij spel had. Hoewel de strijd tegen overstromingen niet eenvoudig was, boekten de cisterciënzers toch succes.

Ze zagen niet alleen kans het water te weren, maar wisten het ook voor hun karretje te spannen. Bijvoorbeeld door beheersing van het waterniveau bij droogte. Ook had het transport van goederen in hoofdzaak plaats via het water, omdat de wegen in dit kleigebied het grootste deel van het jaar zompig en onbegaanbaar waren. Een en ander resulteerde in het oudste cultuurlandschap van Europa, gekenmerkt door bochtige wegen en kromme sloten. Een 5344 hectare groot gebied dat is uitgeroepen tot Nationaal Landschap en is voorgedragen voor de werelderfgoedlijst van Unesco.

In het klooster – dat in zijn hoogtijdagen honderd monniken en tweehonderd lekenbroeders telde – wisten de cisterciënzers het water ook hun wil op te leggen. Ze hadden gescheiden systemen voor regenwater, welwater en afvalwater. Bakker schrijft dat in Aduard loden buizen zijn opgegraven, die waarschijnlijk ooit deel uitmaakten van de waterleiding in het klooster, waarvan alleen de ziekenzaal (tegenwoordig een kerk) nog overeind staat.

De ziekenzaal, het enige overgebleven deel  van het klooster Aduard. - Foto: Kloostermuseum Bernardushof
De ziekenzaal, het enige overgebleven deel van het klooster Aduard. - Foto: Kloostermuseum Bernardushof

Ook zijn gebakken aardewerken buizen tevoorschijn gekomen waarmee water werd getransporteerd. Water is vermoedelijk vooral bij keukens, latrines (toiletten), lavabo’s (plaatsen om de handen te wassen voor onder meer de maaltijd en de kerkgang), de bierbrouwerij, de bakkerij en de ziekenzaal via leidingen aangevoerd. Opmerkelijk is ook het voor die tijd geavanceerde riool: een stelsel van gemetselde, ondergrondse gangen waarvan delen zijn teruggevonden bij archeologisch onderzoek.

'Zedelijk verderf'

Bakker vermeldt dat de watertoren die op het kloosterterrein stond, werd gevoed met regenwater dat op het dak van de kloosterkerk viel. Voor de informatie over de waterhuishouding in het klooster heeft hij vooral gebruik gemaakt van de kennis van expert Jakob Loer. De Zuidhorner wijdt een onderhoudend hoofdstuk aan de omgang met water binnen deze gemeenschap.

Zo onthult hij dat er voor de ‘lichaamshygiëne’ van de kloosterlingen weinig water nodig was. Bakker: “De handen werden regelmatig gewassen en ook het gezicht. Op zaterdagavond waste men elkaars voeten. Dit moest zo gebeuren dat men elkaars voeten niet kon zien. Verdere lichaamsverzorging gebeurde sporadisch. Vóór Kerst en Pasen mochten kloosterlingen zich helemaal wassen. Baden werd afgeraden, want dat leidde tot zedelijk verderf.”