Van Adorp tot Zuurdijk

1300-1648

De hondenslager van Nieuw Scheemda

In de kerk van Nieuw Scheemda hangt naast de preekstoel een lange zweep. Op het eerste gezicht is dit een vreemd voorwerp om op te hangen in een kerk. En waarom heeft de zweep zo’n prominente plaats gekregen? Deze zweep werd gebruikt om honden uit de kerk te jagen en was van de functionaris die voor deze taak was aangesteld: de hondenslager. Tot in de negentiende eeuw was de hondenslager een gebruikelijk beroep. Niet alleen kerken kenden een persoon die de honden weg moest jagen, maar ook stedelijke overheden hadden vaak een hondenslager in dienst.

Vanaf de 15de eeuw werd in veel steden een hondenmepper officieel door het stadsbestuur in dienst genomen. Meestal werd per (dode) hond betaald. Vooral in tijden van epidemieën werd er op de honden gejaagd. Men geloofde dat ze verantwoordelijk waren voor de verspreiding van ziekten als de pest, melaatsheid en vooral hondsdolheid.

Door de beugel

Bepaalde honden waren van de jacht veiliggesteld zoals jachthonden, waakhonden, scheepshonden en honden van de magistraat. Ook kleine hondjes mochten als huisdier worden gehouden. Deze honden droegen als herkenning een penning om hun nek, zodat het duidelijk was dat het niet om een zwerfhond ging. De eigenaars moesten hun hond bij de hondenslager laten opmeten. Als een gevangen hond door een soort ring, beugel genoemd, kon springen, dan mocht hij blijven leven. Uit dit gebruik komt de uitdrukking ‘door de beugel kunnen’ vandaan. In twijfelgevallen hielp de hondenslager tegen betaling de hond door de beugel te duwen. De honden die echter niet door de beugel konden, moesten binnen acht dagen buiten de stad worden afgemaakt.

De kerk van Nieuw Scheemda
De kerk van Nieuw Scheemda

Op sommige schilderijen van kerkinterieurs komen honden voor. Op deze schilderijen zijn dikwijls honden afgebeeld, die soms de poot oplichten tegen een pilaar. In de winterkou probeerden zwerfhonden vaak een plekje te veroveren in de warme kerk. Het probleem was echter dat ze met hun geblaf de dienst konden verstoren. Het was dan ook de taak van de kerkelijke hondenslager om alle honden ‘die onder de sermoene en den dienst Godes’ het waagden binnen te sluipen er met harde hand weer uit te slaan. In veel kerken was iemand voor de ondankbare taak van hondenslager aangesteld. In de Sint Bavokerk te Haarlem is een kapiteel met de afbeelding van deze hondenslager, samen met enkele honden, te vinden.

Schoolmeester

Op het platteland was het vaak de taak van de schoolmeester om de kerk op zondag vrij te houden van honden en ander ongedierte. Hij hoefde niet zelf met de zweep bij de deur te staan, dat ging ook niet omdat hij vaak ook de voorzanger of organist van de kerk was, maar hij was er wel verantwoordelijk voor dat het gebeurde.

'jonge honden'

De hondenslager moesten niet alleen voor zorgen dat honden de dienst niet zouden verstoren, maar hij bewaakte ook de orde onder de jeugd die de kerkdienst bezocht. De jongeren zaten namelijk tijdens de dienst niet bij de ouders, maar bij elkaar en hielden zich dan niet altijd even rustig. Waren de jongens en meisjes te lastig, dan kregen ze met de zweep ervan langs of werden in een hok opgesloten. Zelfs in de jaren zestig van de twintigste eeuw was er in het Zeeuwse Tholen nog steeds een dergelijk figuur als stokman actief, die echter alleen nog maar tot taak had de jeugd onder controle te houden. Een zweep werd toen gelukkig al niet meer gebruikt.