Groninger kerken

1815-1914

Kerken van staatswege gebouwd

De kerk van Klein Wetsinge is gebouwd toen de vervallen 13de eeuwse kerk in Groot Wetsinge werd gesloopt. De kerk heeft een opvallende overeenkomst met andere kerken die in de tweede helft van de 19e eeuw zijn gebouwd. De nieuwe kerk wordt wel een zogenaamde ‘waterstaatskerk’ genoemd. Met het begrip waterstaatskerk wordt meestal een kerk bedoeld die gebouwd is met steun, of onder toezicht van Rijkswaterstaat. De ingenieurs die bij deze instelling in dienst waren hebben een grote invloed uitgeoefend op het uiterlijk van de Nederlandse bouwkunst in de 19de eeuw. 

Kerken van staatswege gebouwd
De kerk van Wittewierum. - Foto: Hardscarf via Wikimedia Commons

Rijkswaterstaat hield zich in die tijd namelijk niet alleen bezig met weg- en waterbouw, maar was tussen 1820 en 1880 ook de Rijksbouwmeester die de bouw van alle Rijksgebouwen voor haar rekening nam. Zo werden in die jaren honderden tolhuisjes, brugwachtershuisjes, gevangenissen, postkantoren, stations, seinhuisjes en dienstwoningen in dezelfde sobere stijl gebouwd. De uniformheid van de gebouwen werd lange tijd bekritiseerd. Rijkswaterstaat had namelijk standaardontwerpen ontwikkeld, zodat veel gebouwen erg op elkaar leken. Inmiddels is er veel meer waardering gekomen voor de waterstaatsgebouwen en zijn veel ‘verheven’ tot gemeentelijk- of rijksmonument.

Toezicht op de bouw van kerken

Vanaf 1824 tot 1875 werd het toezicht op de bouw van kerken toegevoegd aan het takenpakket van Rijkswaterstaat. Er werd bij Koninklijk Besluit bepaald dat het niet meer mogelijk was een kerk te bouwen of te verbouwen zonder toestemming van de rijksoverheid. Ambtenaren hielden niet meer alleen bouwkundig toezicht, maar kregen ook een adviserende rol en voerden zelf bouwprojecten uit. 

Met het bouwen van nieuwe kerken werd geprobeerd slepende conflicten op te lossen tussen protestanten en katholieken over het recht op oude kerkgebouwen. Veel oude kerken waren in de Reformatie in handen van protestanten gekomen. In de 19de eeuw begonnen katholieken in gebieden waar zij de meerderheid hadden, de oude kerken terug te eisen. Volgens de katholieken waren de kerken onrechtmatig in bezit gekomen van de protestanten en daarom eigenlijk nog steeds het eigendom van de katholieke parochie. In dit conflict is het toenemend zelfbewustzijn van het katholieke deel der natie te herkennen. 

In het Zuiden wisten veel Katholieken hun kerk terug te krijgen, tot ongenoegen van de protestanten. Dit probleem werd opgelost doordat de overheid financiële steun gaf voor de bouw van een nieuwe kerk. Ook waar de kerk in handen van de protestanten bleef werden nieuwe kerken gebouwd, zoals in Westernieland. De katholieke enclave in dit dorp groeide echter zo sterk dat na een aantal jaren besloten werd het kleine kerkje te slopen en een grotere kerk ervoor in de plaats te zetten. Deze kerk werd ontworpen door Cuyper, een van de bekendste architecten van ons land, die ook het centraal station in Amsterdam heeft ontworpen. Dit kerkje werd blijkbaar te armoedig bevonden. De rijke gemeente liet een nieuwe kerk bouwen zodat er geen misverstand meer over kon bestaan welke gemeente er in het dorp de dienst uitmaakte.

Haagse zuinigheid

Bij de bouw van de kerken door Rijkswaterstaat stond spaarzaamheid voorop. De kerken werden zo goedkoop mogelijk gebouwd, maar opgesierd met versierselen om het gebouw meer uitstraling te geven. Veel waterstaatskerken zijn getooid met een gietijzeren omlijsting, een nieuwe techniek die in het midden van de 19de eeuw erg populair was. In Groningen zijn de kerken van Den Horn, Nieuw Beerta en Wittewierum goede voorbeelden hiervan. Bij de bouw werden vaak de fundamenten van de oude kerk of oude bouwmaterialen gebruikt. Zo is de kerk van Wittewierum gebouwd op de fundamenten van de middeleeuwse kloosterkerk en zijn de stenen en het kerkinterieur van de gesloopte kerk in Lagemeeden gebruikt voor de nieuwe kerk van Den Horn. Aan deze zuinigheid is het ook te danken dat de middeleeuwse toren van Uitwierde mocht blijven staan, alleen het kerkgebouw werd vernieuwd. 

Architecten

Tegenwoordig zijn er veel beroemde architecten, die soms bekender zijn dan de gebouwen die ze hebben ontworpen. Lang is het echter zo geweest dat het er weinig toe deed wie een gebouw ontworpen had. In de ‘waterstaatsperiode’ begon dit te veranderen. Meestal werden deze kerken ontworpen door reguliere architecten, ingenieurs en aannemers en verzorgde Waterstaat alleen het toezicht en de goedkeuring van de plannen. Een aantal kerken werd ontworpen door ingenieurs van Waterstaat. Dit waren vaak geen anonieme bouwmeesters, maar architecten die bij de bouw van kerken expliciet werden genoemd. 

Zo staat op de gevelsteen van de kerk van Onderdendam de naam van de architect van waterstaat, W.K. Dusseldorp, pontificaal vermeld. Dusseldorp, de zoon van waterstaatsingenieur G. Dusseldorp, heeft een heel aantal kerk en in Groningen op zijn naam staan. Naast Onderdendam, zijn bijvoorbeeld de kerken van Den Horn en Zuidhorn van zijn hand. In bijna alle gevallen zijn deze kerken in te delen onder het neoclassicisme of de neogotiek, conform de smaak van die tijd; een echte Waterstaatstijl bestond niet.