1945-1989

De vreselijke vriendinnen van mijn moeder: portret van een vrouwenhuis

Februari 1975 ging het Vrouwenhuis aan de Raamstraat open, waar mijn moeder al snel kind aan huis was. Als veertienjarige moest ik niets van dat Vrouwenhuis hebben. Ik wist dat het belangrijk voor mijn moeder was, maar niet waarom en hoefde dat toen ook niet te weten. Jaren later zocht ik alsnog naar een antwoord. 

De vreselijke vriendinnen van mijn moeder: portret van een vrouwenhuis

Elke keer dat mijn moeder kwam, vertelde ze en werd er geluisterd en herkend. Door vrouwen die zich ook los wilde maken van hun mannen. En die wisten dat dat niet zonder slag of stoot ging, want een vrouw nam geen beslissingen zonder haar man, een vrouw ging niet op stap zonder haar gezin. Anna was in al die jaren één keer alleen de stad in geweest om een jurk te kopen. Want, ja, hoe kwam je anders aan een jurk? 

‘Wil je mijn vrouw nooit meer meenemen?’ had de buurman aan Atty gevraagd, toen ze haar buurvrouw voor een lezing in het Vrouwenhuis ophaalde. Er waren mannen die verloren voor het raam stonden als hun vrouw wegging – wie moest er nu hun kopje koffie zetten? – of die hun overheersing lieten blijken door precies op dat moment de liefde te willen bedrijven, want al stond het niet meer in de wet dat de vrouw beschikbaar moest zijn, het bleef nog een tijdlang voelen als zijn recht. Niemand keek dan ook op toen er een woedende man het Vrouwenhuis binnenstormde: ‘Wat moet mijn vrouw hier!’ Wel stond sindsdien de deur niet meer open, maar moest er aangebeld worden. 

In het Vrouwenhuis huilden ze uit. Er waren veel verdrietige verhalen. Wie er heel beroerd aan toe was, kon even in de keuken zitten en er was altijd iemand die een troostende arm bood. Vaak was het Bep. Maar ook Lijs. Er werd veel uitgehuild bij Lijs.

In het Vrouwenhuis zeiden ze tegen elkaar: je bent iets, en je kunt iets. Laat je niet op de kop zitten door zo’n kerel! 

Ze zeiden ook: zorg dat je niet afhankelijk bent van je man. We hebben het druk, we hebben onze kinderen, we moeten actievoeren, maar zorg dat je net genoeg verdient om onafhankelijk te zijn. Als je gestudeerd hebt, zoek werk en zo niet, ga studeren. Al moet het op een stoel tegen het aanrecht, terwijl de aardappels opstaan. 

In het Vrouwenhuis lachten ze, rookten ze – dat deed iedereen in die tijd – en discussieerden ze. Het was een grote praatgroep; overal gingen ze diep op in. Ze kookten, bij toerbeurt, of haalden iets. En ’s avonds was er bier en wijn – veel; de kratten en flessen haalde Herma met haar auto: Truus van het Vrouwenhuus. Ze vierden Kerst  en 5 december met Sinterklazina en Pieternella. 

En alle vrouwen, de oudere met hun bagage, de jongere met de wereld aan hun voeten, de lesbische met hun dubbele emancipatie, waren één in de strijd tegen de hun opgelegde vrouwenrol. En alle vrouwen waren welkom – de Rooie Vrouwen, de studentes van de sociale academie, de hoertjes uit de Raamstraatbuurt – want een vrouw is een vrouw is een vrouw.  

Boek

Haar moeder stapte in de jaren '70 het pas geopende en tamelijk radicale vrouwenhuis in Groningen binnen. Als jonge dochter was Martine van Rooijen daar destijds nogal ongelukkig mee. Dat blijkt wel uit de titel van haar boek die de geschiedenis van het vrouwenhuis beschrijft: De vreselijke vriendinnen van mijn moeder. 

Martine van Rooijen legt in haar boek een bijzonder stuk stadsgeschiedenis vast. Ze heeft kunnen putten uit haar eigen herinnering, archiefmateriaal, de nagelaten stukken van haar moeder en vooral uit gesprekken met de mede-bewoonsters die ze vroeger zo verschrikkelijk vond. Dat laatste blijkt inmiddels geheel ten onrechte.