1945-heden

Kapper Korma: alles voor de klanten

Eigenlijk was Jan Korma liever in een schoenenzaak blijven werken. Op aandringen van zijn ouders nam hij in 1946 toch de kapperszaak van zijn vader over. De kapperswinkel aan de Moesstraat 87 had in het begin nog personeel. Vanwege de hoge loonkosten deed de kapper echter steeds vaker een beroep op zijn vrouw en kinderen. Zijn dochter herinnert zich nog goed hoe een week in het kappersgezin verliep.

“De week begon redelijk rustig. Op maandag was de zaak gesloten. Dan brachten we de voorraad - snoep, tandpasta, haarcrèmes enzovoorts - weer op peil. Als klein kind vergezelde ik mijn vader graag naar groothandel Ekens, waar hij altijd inkopen deed. Voor mij was dat een leuk uitstapje! Maandag was eigenlijk de enige dag dat er tijd was voor ontspanning. Mijn ouders gingen dan ‘s avonds naar de zangvereniging.

Van dinsdag tot en met zaterdag stond alles in het teken van de klanten. Het credo was: alle klanten worden geholpen. Mijn vader opende de deur om acht uur. Tussen de middag bracht mijn moeder op de fiets vanaf ons woonadres aan de Arubastraat het warme eten - in pannetjes, gewikkeld in oude kranten. Terwijl mijn vader at, nam mijn moeder de winkel waar. Hierna moest ze weer snel terug naar huis, waar wij ongeduldig wachtten op onze warme maaltijd. Om twee uur moesten we immers weer op school zijn. Om half zeven sloot de kapperszaak. Dat wil zeggen: dan mochten er geen klanten meer binnen komen. Wie al zat te wachten, werd gewoon nog geholpen. Daarna werd de kas van die dag opgemaakt. Mijn vaders werkdag was vaak pas rond acht uur – soms nog later – ten einde.

Marktkraam

In de begintijd was mijn oma ook nog wel in de zaak. Zij hield de wachtende klanten aan de praat, zodat ze niet zouden weglopen. Mijn opa nam, als hij een goede dag had en het oude klanten van hem waren, ook nog wel eens het scheermes ter hand. Mijn grootouders hebben nog lange tijd één keer per week met een caravan-achtige kraam op de markt gestaan 
om kappersspullen te verkopen.

Fooi

Zeker op zaterdagen hielpen mijn broers en ik mee in de zaak. Mijn broers mochten eenvoudige handelingen verrichten, zoals kapmantels omdoen en scheerklanten inzepen. Waar geknipt moest worden met de tondeuse, knipten zij het haar alvast tot aan de oren af. Ook deden ze de verkoop van allerlei toiletartikelen en snoep, het afrekenen en vervolgens de vastlegging hiervan in het kasboek. Maar voor het zover was borstelden ze zeer zorgvuldig de achtergebleven haren van de kleren van de klant, in de hoop op een fooitje. Dat kregen ze zo nu en dan ook en dan mochten ze het zelf houden.

Ik hielp mijn vader door de hoofdjes van de kleine kinderen vast te houden. Dan kon hij hun haar rustig knippen. De verkoop vond ik het meest interessant. Want ik mocht dan ook, met potlood, de verkopen in het kasboek noteren: een zeer verantwoordelijke taak. Mijn moeder ging elke zaterdag kwitantie lopen. Helaas lukte het niet altijd om het geld van de pofklanten binnen te halen. Regelmatig bleven er rekeningen openstaan. Op zaterdagavond liep het werk soms uit tot half negen. Ik herinner me nog goed dat er daarna patates frites gekocht werd, een ware traktatie in die tijd!

Zondag

Zelfs de zondagmorgen draaide nog om het kappersvak. Dan kwam collega kapper Cats altijd op bezoek. De gesprekken over allerlei zakelijke beslommeringen liepen vaak uit, waardoor de vaste zondagmiddagbezoekjes aan de opa’s en oma’s bijna in het gedrang kwamen. Wij als kinderen konden de heer Cats, vaak wel ‘wegkijken’. Op wat een feestelijke en gezellige Oudejaarsavond zou kunnen zijn werkte mijn vader door tot ná middernacht. Stel je voor dat er tijdens de jaarwisseling iets met de zaak gebeurde door vuurwerk of baldadige jeugd!

Alles voor de klanten

Het is moeilijk voor te stellen, maar ondanks de drukke werkweek, was er zelfs nog een thuispraktijk. Voor een permanentje of knipbeurt ontvingen we klanten aan huis, maar we gingen ook wel naar hen toe. In alles stond de klant centraal. Toen de wijk Selwerd gebouwd werd, kregen we daar natuurlijk ook klanten vandaan. Mijn vader durfde de prijzen eigenlijk niet te verhogen, omdat hij vreesde dat dit ten koste ging van de klandizie. Ook op andere manieren hielden we onze klanten te vriend. We deden alleen boodschappen bij klanten. Waren er toevallig twee sigarenboeren klant? Dan kochten we de ene week bij de sigarenzaak vóór het spoor en de andere week bij de sigarenhandel over het spoor. Ook werd er terdege rekening gehouden met de verschillende religies en politieke stromingen in de buurt. Als een klant ons thuis kwam bezoeken, legden we Het Vrije Volk wel eens uit het zicht!”

Tot zijn vroege dood in 1969 bleef Jan Korma het kappersvak beoefenen. Daarna werd de zaak verkocht aan een kapper die ook een zaak had op de hoek Korreweg-Kapteynlaan. De zaak aan de Moesstraat 87 werd echter vrij snel opgeheven. Tot begin jaren tachtig zat er een SRV-winkel in het pand.

Dit verhaal komt uit het boek 100 jaar Tuinwijk Groningen. Meer verhalen lezen? Het boek is voor 9,95 te koop.