Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

Herinneringen aan de oorlogsjaren

Op woensdagavond 11 mei sprak Joël Stoppels van Battlefield Tours in de Openbare Bibliotheek van Veendam over de bevrijding van stad en provincie door Poolse en Canadese troepen. De aanwezigen haalden in de pauze herinneringen op aan de oorlogsjaren.

Herinneringen aan de oorlogsjaren
Canadese soldaten met Groningse meisjes in het Noorderplantsoen. - Foto: www.beeldbankgroningen.nl (1785-18734)

Uitgerookt

De 2e Canadese infanteriedivisie probeerde op 13 april 1945 via de Paterswoldseweg de stad Groningen binnen te komen. Twee dagen later braken er zware gevechten uit rondom het Noorderplantsoen.

Riny van der Meer (1935) groeide op in deze buurt. Toen zij na de oorlog terugkeerde in de stad, waren de bomen van het plantsoen helemaal zwartgeblakerd. "Mijn vader had een smederij aan de Korreweg, vlakbij het plantsoen. Toen de Canadezen oprukten zijn wij de stad uit gevlucht naar Zevenhuizen, naar een broer van mijn moeder. Mijn vader wist zeker dat er in de buurt van ons huis gevechten uit zouden breken, dus mijn moeder is met ons in de bakfiets vertrokken. Toen we in Zevenhuizen zaten kwamen er veel mensen vanuit de stad langs, die waren gevlucht voor de gevechten. Zo hoorden we dat er brand was in de buurt van het Noorderplantsoen. We konden de rookpluimen boven de stad zien hangen. Mijn moeder heeft zich toen wel zorgen gemaakt over ons huis." 
Toen Riny terugkeerde naar de stad zag ze de zwartgeblakerde bomen in het plantsoen staan. "Later hoorde ik dat Duitse soldaten de bomen in waren gevlucht, die hoopten natuurlijk dat ze daar niet gevonden zouden worden. Maar die hebben ze dus uitgerookt door daaronder de boel in de brand te steken."

Schaarste

De smederij van de vader van Riny van der Meer bleef gewoon doordraaien in de oorlog. Omdat de boeren - onder andere uit de Tuinwijk - afhankelijk waren van het werk van de smid kreeg de smederij speciale kolen om het smidsvuur op te stoken. Dat was bijzonder omdat brandstof schaars was in de oorlog. "Het vuur werd ’s ochtends al vroeg opgestookt en dan kwam de een na de ander uit de buurt langs met een pannetje pap ofzo om op te warmen." Zo hielp je elkaar gewoon wanneer dat kon.

Niet alleen brandstof was moeilijk te krijgen, ook eten werd schaars, weet mevrouw Noorintholt-Bruns te vertellen. Tijdens de oorlog had ze briefcontact met twee gezinnen uit Utrecht. "Hier in Veendam hebben we nooit honger geleden, er werd hier veel verbouwd. In tegenstelling tot het gezin waar ik mee pende in Utrecht. Ze hadden een kindje van drie maanden oud, dat ongelofelijke honger leed. Nou, we hebben pakketje na pakketje met eten opgestuurd. Maar niet alle pakketjes kwamen aan, want veel werden er onderweg onderschept. Eén pakketje dat wel aankwam bevatte bruine bonen. De moeder van het kind kon dan van drie bonen het vocht gebruiken om in het flesje te doen. Het is nu zo'n kerel," vertelt ze terwijl ze triomfantelijk haar duim omhoog steekt.

Iedereen deed wel eens iets wat niet mocht

Doordat veel goederen moeilijk te verkrijgen waren, werden mensen heel inventief. "Mijn vader had een knecht die heel handig was," vertelt mevrouw Van der Meer. "Hij maakte kleine oorlogskacheltjes die op hout konden worden gestookt. Daar kon je dan eten op klaar maken ofzo. Die kacheltjes verkochten heel goed." Maar ook hout werd steeds moeilijker te krijgen tijdens de oorlog. "Een eindje verderop in de Ebbingestraat zat sigarenhandel Polma. Die man had een mooie boom in zijn tuin staan. Iemand heeft die boom stiekem 's nachts omgezaagd. Mijn zus heeft gezien dat mensen een eindje verderop die boom het huis in probeerden te slepen. Later hoorden we dat Polma des duivels was omdat zijn boom gestolen was."

"Maar iedereen deed in de oorlog weleens iets wat eigenlijk niet mocht," aldus mevrouw Van der Meer. "Wij hadden een koolzaadmolentje, daar stopte mijn zus koolzaad in en dan draaide ze eraan en dan kwam er olie uit. Dat gebruikten we dan als lampolie. Dat moest stiekem gebeuren, maar dat molentje maakte flink lawaai. Daarom hadden we een speciaal waarschuwingssysteem. Er waren touwtjes gespannen tussen de huizen bij ons in de buurt met belletjes eraan. Als er onraad was konden we elkaar waarschuwen door aan het touw te trekken."

De Duitsers marcheerden regelmatig door de straat. Bijvoorbeeld om naar het zwembad te gaan. "En ze konden heel mooi zingen," kan mevrouw Van der Meer zich herinneren. "Daar mochten we alleen niet naar kijken van mijn ouders, maar dat deden we natuurlijk stiekem wel."

Poolse bevrijders nemen Duitse soldaten krijgsgevangen. - Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal
Poolse bevrijders nemen Duitse soldaten krijgsgevangen. - Foto: Streekhistorisch Centrum Stadskanaal

Bevrijdingsfeesten

Veendam werd op 13 april bevrijd door de Polen. In de loodsen van strokartonfabriek De Vrijheid vonden zij grote voorraden van de Duitsers, waaronder veel drank. Van de Poolse soldaten is bekend dat ze de volgende dag flink hoofdpijn hadden, maar niet alleen de Polen profiteerden van de oorlogsbuit. "Ik heb er wel een slof aan sigaren vandaan gehaald," vertelt de heer H. Noorintholt, "Of misschien wel twee."

Ook in Pekela wachtte de Poolse bevrijders een warm welkom. De ouders van de heer Kort (1946) bewaarden tijdens de oorlog stiekem een Nederlandse vlag op zolder. "Toen Pekela bevrijd werd door de Polen heeft mijn vader die vlag van zolder gehaald om hem bij de schoorsteen te planten. Het ding was helemaal versleten en de blauwe kleur was verschoten en niet meer te zien. Er bleef dus een rood met witte vlag over. De Polen waren dolblij want wij hadden hun vlag op ons huis staan!"

Na de bevrijding keerde mevrouw Van der Meer met haar familie terug naar de smederij in de stad. "Elke straat en elke buurt had zijn eigen feesten. Overal hingen vlaggetjes en je kon op straat spelletjes doen en dansen." Na de jaren van angst en schaarste was het nu overal feest.