1815-1914

Hendrik Goeman Borgesius, een sociaal bewogen man

18 januari 1917 was een droeve dag voor liberaal Nederland. Die dag overleed de op 11 januari 1847 in Schildwolde geboren Hendrik Goeman Borgesius op 70-jarige leeftijd. Hij was een vermaard spreker, schrijver en bestuurder.

Hendrik Goeman Borgesius, een sociaal bewogen man

Mr. H. Goeman Borgesius aan zijn bureau, 1907. - Foto: A.J.V. de Veer, www.beeldbankgroningen.nl (818-23713)

Na de Latijnse school in Ootmarsum (Twente) studeerde hij eerst theologie en daarna rechten in Groningen, waar hij in 1868 summa cum laude (met de hoogste lof) promoveerde. Na enkele jaren als leraar staatswetenschappen, waarin hij ook als spreker en schrijver bekend begon te worden, werd hij hoofdredacteur van Het Vaderland. Nog vele redacteurschappen zouden volgen. Hij ijverde zijn hele leven vooral voor sociale kwesties. Zo was hij voorzitter en bestuurslid van vele organisaties, zoals de Volksbond tegen Drankmisbruik, Vereniging voor Volksonderwijs en de Algemeene Nederlandsche Bond voor Vrede door Recht. Hij richtte verzekeringsmaatschappijen op voor levensverzekering, ongevallenverzekering en een Coöperatieve Voorschot-Vereeniging. Over al deze onderwerpen trad hij veelvuldig op als schrijver en geliefd spreker. Dit laatste ondanks zijn sterke Groningse accent en zijn legendarische versprekingen en verhaspeling van namen.

Vader van de verzorgingsstaat

Veel heeft hij bewerkstelligd tijdens zijn bijna veertig jaar durende lidmaatschap van de Tweede Kamer, waarin hij van 1877 tot zijn dood zitting had. Als minister van Binnenlandse Zaken (1897-1901) kreeg hij de gelegenheid een aantal sociale kwesties bij wet te regelen, zoals de Leerplichtwet, de Gezondheidswet en de Woningwet. Door zijn inzet voor deze sociale wetten wordt hij ook wel de ‘vader van de verzorgingsstaat’ genoemd.
In 1914 kreeg hij van de Groninger universiteit het eredoctoraat in de medicijnen vanwege zijn wetgevende arbeid ten bate van de openbare gezondheid.

<p>Spotprent op de armenwet van Goeman Borgesius door&nbsp;Joh. Braakensiek, gepubliceerd in De Amsterdammer, 1901. - Beeld: www.beeldbankgroningen.nl (1536-7385)</p>

Spotprent op de armenwet van Goeman Borgesius door Joh. Braakensiek, gepubliceerd in De Amsterdammer, 1901. - Beeld: www.beeldbankgroningen.nl (1536-7385)

Algemeen kiesrecht

Borgesius was voorstander van het algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen, maar dit onderwerp was een heet hangijzer. Toentertijd mochten alleen mannen boven een vastgestelde inkomensgrens hun stem uitbrengen. Binnen de liberale partij ontstond in 1893 grote onenigheid over het kieswetsontwerp van J.P.R. Tak van Poortvliet, wat leidde tot een scheuring. Borgesius werd voorzitter van de 'kiesrechtgroep' die het voorstel steunde. In 1895 ging deze groep onder zijn leiding verder als Liberale Unie.

Ook gedurende de daaropvolgende decennia leidde de kiesrechtkwestie tot onenigheid en afsplitsingen. Maar, zoals De Sumatra Post na zijn overlijden meldde: “De Unie had geen bekwamer leider kunnen vinden dan Mr. Borgesius voor haar geweest is en in den loop van het proces is hij meermalen haar redder geweest”. Diverse amendementen haalden het niet, ook het zijne uit 1911 niet. Uiteindelijk werd in december 1917, bijna een jaar na zijn overlijden, het algemeen kiesrecht voor mannen en passief kiesrecht voor vrouwen ingesteld (zij mochten alleen gekozen worden). Vanaf 1919 mochten vrouwen ook zelf hun stem uitbrengen.

Formateur en voorzitter

In 1905 trad Borgesius op als kabinetsformateur voor het gedoogkabinet De Meester. Zelf bedankte hij voor het premierschap van een zo fragiel (‘porseleinen’) kabinet, dat de rit dan ook niet uitzat. Toen de liberalen en socialisten in 1913 opnieuw de meerderheid verkregen, werd hij voorzitter van de Tweede Kamer, wat hij tot zijn dood bleef.

Ziekte

Toen hij in januari 1917 plotseling ziek werd, was het ziekteverloop in alle dagbladen te volgen. Nadien schreef G. Taal in zijn Biografisch Woordenboek van Nederland:

“Borgesius was een strijder tegen sociaal onrecht, een geslaagd zakenman en een bekwaam politicus. In zijn beginjaren heeft hij vooral de confessionelen fel bestreden. In later tijden was hij meer de tacticus, die begreep dat politiek de kunst van het mogelijke is. Door zijn gematigd en voorzichtig optreden heeft hij vooral als minister op sociaal gebied veel kunnen bereiken. Zijn bijzonder grote werkkracht stelde hem in staat naast zijn Kamerlidmaatschap grote activiteit als spreker, schrijver en organisator aan de dag te leggen. (...) Na zijn dood is in Den Haag een gedenkteken voor hem opgericht.”