Onderweg

1648-1815

Groninger kustvaart

Kustvaart komt al eeuwen voor. Overal in de wereld. In onze streken waren het vooral de Noormannen die er met hun schepen op uit trokken langs de kusten. Van ± 100 voor Chr. tot het jaar 1000 waren het bij ons vooral de Friezen die als eersten met kleine, open scheepjes (ongeveer 25 ton laadvermogen) over zee handel dreven.

Groninger kustvaart
Kustgezicht met tjalk. Ludolf Bakhuysen, 1697 (uitsnede) - Collectie Rijksmuseum Amsterdam (SK-A-2316)

Al in de 13e en 14e eeuw voeren ook Groninger schippers naar Engeland en de landen rond de Oostzee. Ze deden dat met kleine boten geschikt voor de binnenvaart èn de zeevaart. Na een geleidelijke ontwikkeling naar zeewaardiger schepen, grote zowel als kleinere, waren er omstreeks 1600 zo’n 1000 kleine Nederlandse zeeschepen in gebruik. Nog in de 18e eeuw waren het vooral de Friezen die de kleine zeevaart ontwikkelden. 

Turf

Maar het vervoer van turf uit de Groninger veenkoloniën in de periode 1700-1800 stimuleerde de kustvaart in Groningen. Men ging spreken over “de Groninger kustvaart” die vooral in deze provincie in het midden van de 19e eeuw tot grote bloei kwam. Met relatief kleine schepen vervoerden de schippers hout uit de Oostzeelanden en later turf uit de veenkoloniën. Om te voorkomen zonder lading terug te varen, nam men andere goederen mee terug, zoals Engelse kolen, porselein, glas en aardewerk of uit Scandinavië en het Oostzeegebied hout en graan. Een geleidelijke overgang vond plaats naar de handelsvaart met steeds grotere schepen en steeds langere reizen. Na 1850 voer men zelfs op de Middellandse Zee, de Zwarte Zee, Afrika en Oost- en West-Indië, maar men voer vooral op de Noord- en Oostzee.

In winterlaag

Het was zwaar werken voor de zeelieden en niet altijd zonder gevaar voor eigen leven. Ongelukken bij het lossen en laden kwamen geregeld voor, vele schepen verdwenen in de golven als de storm die huizenhoog opjoeg. Of de mannen werden van het dek geslagen door zeewater dat over de boot spoelde. De boot was onverwarmd, de accommodatie vaak allerberoerdst. In de wintermaanden lagen de schepen opgelegd in plaatsen als Groningen, Amsterdam en Harlingen, al naar gelang waar men op dat moment was (in ‘winterlaag’).

De periode van 1850 -1865 vormde het hoogtepunt van de veenkoloniale zeevaart met Veendam als centrum. Ook Delfzijl plukte er de vruchten van. In 1863 waren daar 46 rederijen gevestigd met één of meer schepen. In totaal bezaten zij 56 schepen: 33 galjoten en kofschepen, 8 schoeners en 15 tjalken.

Tjalken op volle zee, ca. 1910 - Foto: P. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (818-2110)
Tjalken op volle zee, ca. 1910 - Foto: P. Kramer, www.beeldbankgroningen.nl (818-2110)

Met de kustvaart ging het afwisselend goed of slecht, onder invloed van vele factoren. Oorzaken waren oorlogen, internationale handelscrises, een te groot aantal schepen, de invloed van de stoomvaart die het ging winnen van de zeilboten en waterwegen die niet werden aangepast aan de nieuwe grotere schepen.

Al in de tweede helft van de 19e eeuw zette een geleidelijke achteruitgang in van de vrachtvaart in Groningen en daarmee ook van de scheepsbouw die er belangrijk was geworden. In 1900 voeren er nog 432 zeilschepen in Nederland. Ongeveer 250 uit Groningen. Tot in de jaren twintig van de 20e eeuw kon je hier toch nog met vracht beladen klippers of tjalken zien varen op de binnenwateren. Om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden, won uiteindelijk de moderne ijzeren kustvaarder (vaak met een Bronsmotor uit Appingedam) vanaf ongeveer 1920 de strijd van het zeilschip, tot verdriet van de oude zeilmeesters.