De canon van Groningen

1300-1648

Groninger IJkpunt 12: Het einde van een onafhankelijk bestaan

Stad en Ommelanden moeten zich schikken onder het Habsburgse gezag van keizer Karel V. 

Hoewel de stadstaat Groningen zich in de tweede helft van de 15e eeuw ontwikkelt tot een belangrijke politieke macht, moet de stad rond 1500 erkennen dat er vanuit het zuiden een nog grotere macht opduikt, namelijk het Bourgondisch-Habsburgse rijk. Om erger te voorkomen en om een zo groot mogelijke autonomie te behouden besluit de Stad tot een vlucht voorwaarts. Ze stelt zich in 1506 onder het beschermheerschap van graaf Edzard van Oost-Friesland en vervolgens in 1514 onder dat van hertog Karel van Gelre.

Deze heren zijn echter ook niet opgewassen tegen de Habsburgers en daarom stellen Stad en ook de Ommelanden zich in 1536 onder de hoede van de Habsburgse keizer Karel V. Deze is genereus en laat Stad en Ommelanden hun bestuur en privileges behouden. Tot woede van de Ommelanders behoudt de Stad ook het stapelrecht. Het gewest moet alleen jaarlijks een bepaald bedrag afdragen. Namens de keizer treedt een stadhouder op en diens plaatsvervanger wordt het hoofd van de Hoofdmannenkamer (de rechtbank). 

Stad en Lande vormen nu een onderdeel van de Nederlanden. De voornaamste zaken worden voortaan in Brussel geregeld, waar de landvoogd van alle Nederlandse gewesten zetelt.