1300-1648

De macht van de Groninger gilden

Wanneer er zaken aan de orde waren die de hele Groninger bevolking aangingen, wilde de raad ervan verzekerd zijn dat hij handelde namens alle Groningers. Dat was het geval wanneer het ging over politiek gevoelige kwesties, zoals de verhouding met de regering in Brussel, de handhaving van het stapelrecht, de positie van de publieke religie of de stedelijke defensie. 

Het grootste deel van de Groningse bevolking bestond uit handwerkslieden, meesters, gezellen en handlangers, kleine handelaren, sjouwers, sledemenners en binnenschippers (‘schuitenschuivers’). Velen van hen waren georganiseerd in ambachtsgilden. Gebeurtenissen in de geschiedenis van Groningen zelf en voorbeelden van elders hadden duidelijk gemaakt hoezeer het stadsbestuur in de verdrukking kon komen wanneer het de middengroepen en onderste lagen van de bevolking van zich vervreemdde. De politieke inbreng van de gilden werd gewoonlijk verwoord door de ‘bouwmeesters’, die als hun tussenpersonen optraden bij het stadsbestuur. De Groninger gilden beschikten daarnaast over een opmerkelijk machtsmiddel waarmee zij in extreme gevallen van onenigheid met de raad konden voorkomen dat deze laatste zijn zin doorzette.

Verdediging

De stedelijke verdedigingswerken en het burgerleger waren de garantie van Groningens onafhankelijkheid, de stedelijke rechten en zijn machtspositie ten opzichte van de omgeving. Zolang het stadsbestuur de poorten gesloten hield en er in de wallen geen bres werd geschoten, was de stad vrij. Het openzetten van de stadspoorten om vreemde troepen binnen te laten stond gelijk aan het opgeven van het geweldsmonopolie en de vrijheid. De poorten en wallen werden bewaakt door de leden van het burgerregiment, dat onder opperbevel stond van burgemeesters en raad.

De presiderend burgemeester was degene die de stadssleutels beheerde en - even belangrijk - het wachtwoord (‘de loese’) gaf. In Groningen ging echter niet alleen de magistraat over de stadspoorten, maar beschikten ook de gilden over eigen sloten en sleutels. Sinds wanneer dit zo was is niet bekend. In september 1523 horen we voor het eerst dat een stadspoort door de bouwmeesters en enige ‘burgers’ werd gesloten. Ze deden dat omdat ze zich verzetten tegen oorlogspolitiek van de hertog van Gelre en diens vrienden in het stadsbestuur.

Toen de hertog van Alva in 1568 strafmaatregelen nam wegens de beeldenstorm van twee jaar tevoren, schakelde hij niet alleen de stedelijke autonomie uit, maar vorderde ook de sleutels van de gilden in. Pas in 1577, na het vertrek van de soldaten die de stad bezet hadden gehouden, kregen werden Groningers hersteld in de volledige zeggenschap over hun vesting en poorten. Eind maart 1577 kregen ook de gilden hun sloten en sleutels weer terug.

'Ghyldesloeten'

Enkele jaren later, in november 1582, werden maatregelen genomen ter verhoging van de waakzaamheid. Bepaald werd toen dat de bouwmeesters van de gilden de sleutels van de ‘ghyldesloeten’ dagelijks hoogstpersoonlijk naar en van de poort moesten brengen. Het feit dat de Groninger gilden hun eigen sleutels hadden toont aan dat het Groninger volk een politieke factor van betekenis was en dat burgemeesters en raad, als het erop aan kwam, niets konden doen zonder instemming van de gewone ingezetenen.