Groninger Vrouwengalerij

Anna van der Horst: een vernieuwende dichteres

Vrouwen konden meer dan alleen borduren en koken, volgens Anna van der Horst (1735-1785). De dichteres was haar tijd daarin ver vooruit en probeerde via haar dichtkunst de ‘leerzucht’ van andere vrouwen te stimuleren. De achterstand die ze op had gelopen doordat ze geen scholing mocht volgen, zoals haar mannelijke mededichters, benadrukte ze haar leven lang. Ze stierf in het harnas, maar bereikte, evengoed na haar dood, alsnog wat ze graag wilde.

Van der Horst werd geboren in een orthodox gereformeerd gezin. Ze groeide op in Enkhuizen, als dochter van koopman Albert van der Horst en moeder Gerritje Pool. Zonder enige vorm van scholing maakte ze zich de dichtkunst eigen. Van der Horst werd de tweede vrouw ooit die een heldendicht schreef, maar zij maakte als eerste een heldendicht met in de hoofdrol een vrouw. Een heldendicht, ook wel epos genoemd, is een lang verhalend gedicht over een belangrijk mythologisch of historisch persoon. Het is een gedicht waarin de daden van een held bezongen worden.

Vrouwelijk schrijverschap

Ze werd voorvechtster van het vrouwelijk schrijverschap. Waar mannen haar toch al gauw adviseerden zich niet te vertillen aan moeilijke genres, ging Van der Horst daar stug mee door. Bondgenote hierin was medeschrijfster Elisabeth Wolff, met wie ze intensief correspondeerde. Ondanks dat Van der Horst inmiddels dertig lentes jong was, verbood haar vader het contact met Wolff. De reden hiervan was dat hij Wolff ‘te vrijzinnig’ zou vinden.

Eerste publicatie

Van der Horst schreef haar eerste gedicht, een lijkdicht naar aanleiding van de dood van stadhouder Willem IV, al op zestienjarige leeftijd. In 1757 publiceerde ze voor het eerst met een ‘Dichtkundige erinnering, van het merkwaardigste op onze reis van Enkhuizen naar Groningen en Bergum in Vriesland’. In 1764 publiceerde ze in Enkhuizen een epos, ‘de gevallen van Ruth in zes zangen’. Voor het eerst zette iemand een vrouw in het middelpunt van een epos. De narede is tevens van historisch belang, want hierin roemde ze vrouwelijke schrijvers die zich verzet hadden tegen de opvatting dat de vrouw alleen geschikt is voor huishoudelijke taken.

Tweede epos

In 1765 verhuisde Van der Horst naar haar broer in Groningen en in november van dat jaar trouwde ze met Pieter Roelfzema. Hij was klerk, een soort administratief medewerker, op het Comptoir Generaal van de provincie Groningen. In 1769 verscheen in Groningen haar tweede epos, ‘Debora, in vier zangen’. In de narede richtte ze zich wederom op vrouwen die zichzelf wilden ontwikkelen. Ze probeerde hen daarin te stimuleren door uiteen te zetten waarom vrouwen deze mogelijkheid zouden moeten krijgen. Van der Horst mengde zich zelfs in een theologisch debat, iets wat toentertijd toch echt ‘mannenzaken’ waren, en bleef zich uitspreken in maatschappelijke discussies. Van der Horst overleed op negenenveertigjarige leeftijd in Groningen. 

Voorloper feminisme

In de negentiende eeuw raakte Van der Horst in de vergetelheid, maar na 1980 keerde de belangstelling terug. Historici beseften dat Van der Horst een voorloper was van het moderne feminisme in Nederland. Ze was iemand die de weg vrij had gemaakt voor de deelname van ontwikkelde vrouwen aan de wereld van cultuur en conversatie.