1914-1989

Een strokartonloon: te veel om te sterven, te min om te leven

De strokartonindustrie betekende voor veel Groningers een dak boven hun hoofd. Deze industrie zorgde voor werkgelegenheid, maar goed waren de werkomstandigheden in de fabrieken aan het eind van de negentiende en aan het begin van de twintigste eeuw niet. De mensen die in deze fabrieken werkten, maakten lange dagen en deden bovendien veelal fysiek zwaar werk. In ruil hiervoor kregen ze een mager loon.

Een strokartonloon: te veel om te sterven, te min om te leven
Strokartonarbeider Hermannus Stoker en zijn vrouw Maria Veldman in 1947. - Foto: De mensen van de strokarton

Hermannus Stoker beschrijft in zijn dagboek hoe het was om op te groeien in een strokartonfamilie. Of beter gezegd, een strokartondorp. Want dat was Oude Pekela bij uitstek. Zijn verhaal geeft ons nu een kijkje in het leven van toen. We schrijven september 1886. In het Groningse Oude Pekela ziet Hermannus het levenslicht.

"We woonden in een klein huisje, vader en moeder hadden het niet best. De lonen waren heel slecht: te veel om te sterven en te min om te leven. Het was een groot gezin met acht kinderen, dus je kunt wel uitrekenen wat er van het loon overbleef. Vader verdiende zeven gulden en 22 cent per week. Hoera, leve die oude tijd! Moeder vertelde mij later hoe wij allen waren groot gebracht, in alle ellende."

Zonder klompen niet naar school

Mogelijkheid om een beter bestaan op te bouwen dan je ouders, was in die tijd niet aan de orde. De kinderen van de fabrieksarbeiders waren gedoemd dezelfde toekomst tegemoet te gaan als die van hun ouders. Vaak maakten ze de lagere school niet eens af en begonnen ze al vroeg met werken in de fabriek. Zo ook Hermannus, zoon van een magazijnmeester. Hij begon met werken toen hij twaalf jaar was.

"Om naar school te kunnen lopen had ik klompen nodig, maar vaak waren die er niet. Dan trok ik soms de klompen van mijn vader aan. Gelukkig was de schoolwet er nog niet en konden wij, als wij geen klompen hadden, thuis blijven. ‘Waarom ben je niet op school geweest?’ vroeg de meester.
‘Ik had geen klompen, meester’.
‘Nu, ga maar zitten jongen’. En zo ging het maar door. Het volgende jaar ging ik niet over, ik kreeg een briefje mee naar huis. Ik ben nog wat doorgesukkeld in de derde en vierde klas, maar het was niet anders. Het leren was voor mij afgelopen. Er waren te veel zorgen over het huis en het gezin dat het ging zoals het ging."

Op je twaalfde aan het werk in de fabriek

Voor Hermannus begon het werk in de strokartonfabriek dus al vroeg. In de vierde klas bleef hij zitten en moest hij van school af.

"Ik bracht het eten naar de fabrieken in een klein rood karretje, dat was in de tijd toen de arbeiders nog twaalf uur moesten werken. Het warm eten zat in pannetjes, daar kreeg ik van elk pannetje een dubbeltje per week, dus vijftig cent per week voor alles. Wat een tijd. Ik ben in die tijd twaalf jaar geworden en vierde mijn laatste schoolfeest."

Dat er mensen waren die het beter hadden dan zij, werd hem rond die tijd ook duidelijk.

"Ik vroeg me toen weleens af waarom de één er piekfijn uit ziet, met mooie kleren en alles heeft wat z’n hartje begeert. Waarom wij niet? Onder de arbeiders was niet zoveel geschil, maar als ik de andere mensen zag lopen op straat. ‘Waarom wij niet?’ dacht ik dan altijd. Want ik moest mee naar de fabriek om wat bij te verdienen."

Geen wetten voor arbeiders

Dat het voor de fabrieksarbeiders geen vetpot was, mag duidelijk zijn.

"Ik kwam in de fabriek de Astroom te werken. Per dag kreeg ik dertig cent voor twaalf uur werken. Hier heb ik niet lang gewerkt. Daarna kon ik gaan werken in de Erica fabriek, waar ik 65 cent per dag verdiende. Wij woonden toen dicht bij deze fabriek in de wijk ‘De Noodvlucht’. Toen ik al een paar jaar bij de Erica werkte, kreeg ik een ongeluk bij één van de machines. Op dat moment was ik vijftien jaar. Daarna lieten ze me vaak boodschappen doen, bijvoorbeeld naar het postkantoor voor geldzaken. Als ik geen boodschappen had, dan liep ik wat door de fabriek, want er waren geen wetten voor de arbeiders. Dus het was goedheid van de directie dat zij mij lieten lopen."

Fragment uit het dagboek van Hermannus Stoker: 'altijd had ik wel een nagedacht waarom mag de een zoo mooi lopen en alles krijgen en wij niet,  want onder de arbeiders was niet zoo veel geschil, maar als ik de mensen zag lopen, waarom wij niet.'
Fragment uit het dagboek van Hermannus Stoker: 'altijd had ik wel een nagedacht waarom mag de een zoo mooi lopen en alles krijgen en wij niet, want onder de arbeiders was niet zoo veel geschil, maar als ik de mensen zag lopen, waarom wij niet.'

Arbeiders, aller landen, verenig je en sla door!

Een deel van de arbeiders in de fabrieken legde zich niet neer bij de slechte werkomstandigheden. Sterker nog, zij kwamen voor zichzelf op en verenigden zich. Dit gebeurde onder andere onder leiding van de in 1885 geboren Roel Stenhuis. Hij werkte als fabrieksarbeider in de strokartonindustrie en ondernam pogingen om de strokartonarbeiders te verenigen. Ook Stoker kreeg met hem te maken en werd aangespoord om te vechten voor betere arbeidsomstandigheden. Ondanks dat het hard werken was en er lange dagen werden gemaakt, was het een mooie tijd voor de arbeiders die zoals Stoker, lid waren van ‘De Bond’.

"In Hotel Dijkinga was er een vergadering van de arbeiders. Ik hoorde nog zeggen: ‘Arbeiders aller landen, verenig je en sla door!’. Het was volgens mij een voorstander van Domela Nieuwenhuis, een goede spreker naar die tijd gerekend. Als ik nu terug denk aan die vergadering, weet ik dat ik vanaf toen iets wou bereiken. Ik kwam in aanraking met Pieter Hofman en Petrus Vosman, die later nog bedrijfsleider van de Britannia in Oude Pekela werd. Roel Stenhuis was er ook."

De grootste bandieten van Oude Pekela

"Sommige mensen wilden direct in staking. Dat kon natuurlijk niet, want wij moesten in de tweede week alweer aan het werk, omdat wij geen uitkering konden krijgen. Ja, je moet nooit eerder in staking gaan voordat je uitkering vaststaat. Werkgevers begonnen in te zien dat het toch ging gebeuren en dat het niet tegen te houden was. Hoe we het ook bekijken, het was iets dat komen moest. Het was een mooie, maar ook erg drukke tijd. Eerst twaalf uur werken, daarna wat eten en dan maar weer op stap. Ja, wij stonden bekend als de grootste bandieten van Oude Pekela. Maar ook daar kwam een eind aan. Werk vonden wij heel belangrijk, dat moesten wij hoog houden. Wat een tijd was dat."

Lid van De Bond: een mooie tijd

"De eerste conferentie was bij Free & Co in Oude Pekela. Eerst was Stenhuis niet welkom op het kantoor van Free, de directeur, maar hij draaide bij. Op een dag kwamen ze elkaar tegen bij de tram, tegenover de fabriek. Free zei Stenhuis goedendag en bood hem zelfs een sigaar aan. Maar het ging uiteindelijk allemaal om de lonen. Stenhuis deed een voorstel: vijftig cent per dag meer. Free wou hem toen zijn kantoor uit jagen. Stenhuis zei: ‘Trek die woorden maar gauw in, want anders staat je fabriek om zes uur stil’. In deze fabriek waren nog maar een paar mensen lid van De Bond. Toch ging het allemaal goed en het werd veertig cent extra per dag. Dat was een heleboel naar die tijd gerekend. Toen kwam er schot in De Bond. Er waren tien tot vijftien nieuwe inschrijvingen. Wat een mooie tijd was dat. Zo ging het voort en wij hadden beet. Ja, wat een mooie tijd."