Oorlog in Stad en Ommeland

1914-1945

April 1945 in Appingedam

Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonden wij (vader, moeder en hun zoontje Piet) in Appingedam. Ik ben nu 76 jaar. Mijn werkzame leven heb ik doorgebracht beneden de grote rivieren en ook mijn leven met vrouw en kinderen speelde zich af ver verwijderd van Groningen. Af en toe kom ik nog even terug in Appingedam, voor het laatst in het voorjaar van 2013. Ik loop door de Dijkstraat. Halverwege die straat ontbreekt een huis, nummer 43. Het huis op nummer 41 ligt een paar meter achter de rooilijn van de straat. Op de onbebouwde plek staan wat boompjes in een perkje en er is een halfrond bankje. Ik rust er even uit. Ik kijk naar het ijzeren hek aan de overkant dat de Voormalige Kaaksteeg afsluit. Mijn gedachten gaan terug naar 23 april 1945, één van de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog. Ik was toen een jongetje van amper zesenhalf jaar. De beelden staan scherp in mijn geheugen gegrift.

April 1945 in Appingedam

Zwaar beschadigde huizen in Appingedam (Wijkstraat) na de bevrijding. - Foto: Gemeente Appingedam (001214)

De oorlog is bijna voorbij. De Canadezen rukken op naar Delfzijl en Emden. De Duitsers bieden heftig tegenstand. Huis na huis moet worden veroverd op de vijand die zich overal schuil houdt. Het is absoluut verboden op straat te komen en bovendien levensgevaarlijk. Onze bovenwoning in de Dijkhuizendwarsstraat biedt geen bescherming tegen granaatinslagen. Wij krijgen onderdak bij een familielid van mijn vader in de Dijkstraat 40, pal tegenover nummer 43. Hun kelder biedt dekking tegen inslaande projectielen.

Oog in oog

De ochtend van 23 april 1945. We schuilen met z’n vijven in de kleine lage kelder onder de winkel. Onophoudelijk granaatvuur. Een gierende granaatinslag vlakbij, aan de overkant van het amper vijf meter brede straatje, vallend puin, rinkelend glas. Daarna is het stil, doodstil. Langzaam dringt een verstikkende wolk kalkstof door de versplinterde raampjes de kelder binnen. Ik wil weg, ik wil eruit, ik wil zien wat er gebeurd is. Ik glip de kelder uit, via de winkel naar het binnenplaatsje, de Kaaksteeg in. Ik kijk om de hoek van de steeg.

De Dijkstraat is verlaten, overal puin, kapotte dakpannen, een verwoeste gevel aan de overkant. Er breekt geen brand uit, ik hoor geen geluid van mensen. Ik kijk naar links, geen levend wezen te zien, ja toch, dicht gedrukt tegen de gevelwand nadert een gehelmde soldaat, het geweer in de aanslag. We staan oog in oog. Met een maaiende beweging van zijn linkerhand dwingt hij mij terug de Kaaksteeg in. Ik ren door de steeg naar de Wijkstraat, een granaatinslag galmt na tussen de hoge muren van de steeg. Ontzet kijk ik om me heen. Puin, gruis en glas op straat. Geen mens te zien. Appingedam brandt, achter de Smederij laaien hoge vlammen op. Terug naar de winkel, de trap af, de kelder in. M’n moeder in paniek: ‘’Waar was je nou, je had wel dood kunnen zijn!”

Evacuatie

De dag daarna wordt het nog erger. Vanaf de Duitse kustbatterijen wordt ’s nachts onophoudelijk op de stad geschoten. En de Canadezen vuren terug. De situatie in Appingedam wordt onhoudbaar. Men besluit tot de algehele evacuatie van de burgerbevolking. Lopend gaan we op weg, zonder eten en vrijwel zonder bagage. De Westerdraaibrug is opgeblazen, dus die weg is afgesloten. Langs de noordkant van het Damsterdiep stoten we op een mijnenveld, ingegraven bommen grotendeels verborgen onder het wegdek. Een misstap kan fataal zijn. Ik voel nog de stevige hand van mijn vader die mij tussen de zichtbare kabels en ontstekingsmechanismen door loodst. Een kleine tank, een Canadese carrier, is kort daarvoor op een mijn gelopen. De machine ligt schuin weggezakt in de berm van de weg. Betonnen wegversperringen en restanten van munitie laten zien dat hier hevig gevochten is. De Tjamsweerster brug is ook opgeblazen. Hopelijk ligt de weg naar de vrijheid verder ongehinderd open.

We lopen in een groepje vluchtelingen langs het Damsterdiep naar Ten Boer, een afstand van ongeveer twaalf kilometer. Een dode koe ligt verminkt in een weiland. Luid loeiend vee wil gemolken worden, hun uiers staan bijna op barsten. Bij Garrelsweer deelt een boer volle vette melk uit, het is nog lauw, vers van de koe. M’n moeder krijgt een plaatsje in de bak van een legervoertuig richting Groningen. Vader en ik lopen door naar Ten Boer. Daar is transport geregeld voor mensen die familie hebben in Groningen. Hoe zullen we die verwoeste stad aantreffen?

Heftige emoties

Tussen 14 en 17 april brandt Groningen. Ik heb gekeken naar de rood gekleurde avondhemel, staande naast mijn vader aan de westrand van Appingedam, mijn hand in de zijne. Vaders emoties zijn heftig en als kind neem je die gevoelens over. Veel familieleden wonen in de hoofdstad. Hoe zou het met hen zijn? Pas een dag of tien na de bevrijding van Groningen zien vader en moeder hun verwanten terug. “Gelukkig, met de familie is alles wel."

Ravage

Op 5 mei 1945 is Nederland eindelijk bevrijd. Wij mogen terug naar Appingedam. Vader was al een paar dagen eerder op onderzoek uit geweest. Ons huis staat er nog, maar het is wel gehavend. Als we thuiskomen zie ik hoe groot de ravage is. Vrijwel alle ruiten zijn gesprongen, rondom het huis kapotte dakpannen en steengruis. In huis is het een grote bende. In de dagen rond de bevrijding, toen van recht en orde geen sprake was in het verlaten stadje, hebben (naar men zegt) geallieerde soldaten de huizen ondersteboven gekeerd op zoek naar waardevolle spullen. Bij ons viel het nog mee. Moeders povere sieraden waren onaangeroerd. Wel lagen verspreid in huis bundeltjes kleren, meegenomen uit de woning van de buren en in ons huis kennelijk ingeruild voor betere waar.

De rode emmer gevuld met koolzaadolie staat nog op mijn netvlies. Die stond hoog bovenop een keukenkastje. De emmer was door een granaatscherf getroffen, net boven de bodem. Door het gat was de olie naar buiten gedropen, over de kast, over het aanrecht en de vloer en onder de kasten. De houten keukenvloer was bedekt met een grote glibberige plas olie, die inmiddels door naden en kieren wegsijpelde. Het beeld staat scherp in mijn herinnering, omdat moeder in tranen uitbarstte bij het zien van die troep. Mijn moeder die altijd zo netjes was op haar boeltje. Waar moest ze beginnen?