1815-1914

Een snelle carrière, een tragisch einde

Jhr mr Johan Aemilius Abraham van Panhuys werd op 17 oktober 1836 op de borg Nienoord te Midwolde geboren als zoon van Ulrich Willem Frederik van Panhuys en Wendelina Cornera van Inn- und Kniphausen. 

Een snelle carrière, een tragisch einde
De begrafenisstoet van Van Panhuys in 1907, bij de plaats van het noodlottige ongeluk - foto: www.beeldbankgroningen.nl (1785-19196)

Hij studeerde rechten aan de Groningse hogeschool en promoveerde in 1859 op stellingen. Kort na z’n promotie trad hij te Bergum in het huwelijk met jkvr. Catharina Johanna van Sminia. Ze gingen wonen op Jongema-State bij Rauwerd. Hij werd advocaat bij het Provinciaal Gerechtshof van Friesland. In 1864 volgde zijn benoeming tot burgemeester van de grote plattelandsgemeente Tietjerksteradeel. Na het overlijden van zijn moeder in 1878 erfde hij een aanzienlijk vermogen en vergrootte hiermee z’n kansen op promotie naar een grotere gemeente, wat immers slechts voorbehouden was aan kapitaalkrachtige personen. Het salaris woog namelijk niet op tegen de representatiekosten.

Hereplein 4-5, het huis dat Van Panhuys liet bouwen - foto: www.beeldbankgroningen.nl (1785-13794)
Hereplein 4-5, het huis dat Van Panhuys liet bouwen - foto: www.beeldbankgroningen.nl (1785-13794)

Burgemeester van Groningen

De stad Groningen vond in hem een geschikte opvolger voor mr Berend van Royen als burgemeester. De benoeming van Van Panhuys op 11 september 1880 werd met grote instemming begroet. Veel aandacht gaf hij aan de nieuwe stadsuitbreiding. Deze stadsuitleg nodigde de gegoede inwoners uit tot het laten bouwen van moderne ruime huizen. Zo ook de burgemeester, die in 1881 vergunning kreeg voor de bouw van een villa aan het Hereplein, het huidige nummer 4-5. De uit Oldenburg afkomstige architect Gerhard Schnitger ontwierp een karakteristiek huis. Opvallend was de bouw van een toren. Eind 1882 betrok hij zijn nieuwe woning - die in totaal 100.000 gulden had gekost -, echter niet voor lange tijd. Het jaar werd overschaduwd door het overlijden, na een langdurige ziekte, van zijn vrouw op 3 april 1882.

Commissaris des Konings in de provincie Groningen

Per 1 januari 1883 werd Van Panhuys benoemd tot Commissaris des Konings in de provincie Groningen en geacht het gouverneurshotel aan de Oude Boteringestraat 44 te betrekken. Verbouwing van het pand bleek dringend noodzakelijk. Eind 1883 werden enige voorlopige voorzieningen getroffen. Van Panhuys wachtte nog met verhuizen, tevergeefs hopend op toestemming in zijn eigen huis te mogen blijven wonen. Per 31 december 1884 verhuisde hij toch, samen met z’n tweede echtgenote Trijntje Looxma, met wie hij 27 november 1884 in het huwelijk was getreden, zijn twee dochters en twee stiefkinderen.

Landbouwcrisis

Van Panhuys kreeg in zijn nieuwe functie te maken met sociale onrust als gevolg van de landbouwcrisis die sinds het einde der jaren zeventig West- en Midden-Europa teisterde. De boeren gingen bezuinigen op lonen van landarbeiders en gingen in toenemende mate mechaniseren. Grote werkloosheid onder landarbeiders was het gevolg. Vanaf 1888 nam de onrust onder de arbeiders steeds meer toe. Er braken stakingen uit in de venen, waarbij Van Panhuys, samen met de burgemeesters verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde, steeds in een vroeg stadium militairen inzette. Zelfs toen de rust was weergekeerd, besloot Van Panhuys de troepenmacht niet te verminderen zolang er nog gegronde vrees bestond voor nieuwe samenscholingen en rustverstoringen.

In de winter van 1892-1893 waren enige incidenten op fabrieken aanleiding tot een ongekende escalatie van de onvrede. Van de ene op de andere dag ontstond een revolutionaire stemming met name in de Veenkoloniën en het Oldambt. De politie werd versterkt met marechaussees en rijksveldwachters.

De onrust die was begonnen in industriecentra sloeg ook over naar het platteland. Van Panhuys was zeer onder de indruk van de snelle uitbreiding van de onlusten in Oost-Groningen, die grote angst veroorzaakte bij overheid en burgerij. De burgemeester van Noordbroek nam ontslag, omdat hij meende dat zijn leven in gevaar was. Na een interpellatie van het kamerlid van het district Winschoten, B. L. Tijdens, stuurde de regering op 16 en 17 december 1892 troepen naar een groot aantal plaatsen in Oost-Groningen.

Van Panhuys gaf strikte orders om 'krachtige doortastende maatregelen' te nemen.

Van Panhuys kreeg de opdracht alle maatregelen tot handhaving der openbare orde te coördineren. Hij richtte zijn bureau in als crisiscentrum en aan de burgemeesters werd verzocht hem dagelijks op de hoogte te houden van de toestand in hun gemeente. Burgemeesters kregen strikte orders om ‘krachtige doortastende maatregelen’ te nemen om de openbare orde te handhaven. Het optreden van de overheid leidde er toe dat het aantal ongeregeldheden snel afnam. De troepenmacht zou na een maand worden teruggetrokken.

De 'verderfelijke invloed' van het socialisme

Hoewel Van Panhuys pleitte voor een krachtige bestrijding van het socialisme en zelfs voor een algeheel verbod van de SDB, kon hij zeker begrip opbrengen voor de ellendige omstandigheden der werkloze arbeiders. Hij drong sterk aan op geschiktere vormen van werkverschaffing gedurende de winter, een betere verzorging van de behoeftigen, herhalingsonderwijs voor arbeiders en het stimuleren van de spaarzin onder de arbeiders om de ‘verderfelijke invloed’ van het socialisme tegen te gaan.

Wateroverlast

Verder heeft Van Panhuys zich ingezet voor de totstandkoming van het nieuwe Stads-, Provinciaal en Algemeen ziekenhuis en heeft hij zich intensief bezig gehouden met de kanalisatieplannen voor Westerwolde. Het gebied ondervond steeds meer last van het overtollige water van het Drentse plateau. In 1880 werd een commissie benoemd die de kanalisatie moest voorbereiden. Deze kwam in 1883 met een uitgewerkt plan, maar toen de Pruisische regering geen medewerking wilde verlenen aan de totstandkoming van een afwateringsplan op de grens van beide landen, kwam de zaak stil te liggen. Van Panhuys vond de kanalisatie echter van het allergrootste belang: Westerwolde kwam steeds vaker onder water te staan en de streek had dringend behoefte aan kanalen en kunstwegen. Desondanks toonden de Staten weinig belangstelling voor de kwestie, zodat pas in 1901, na de ambtsperiode van Van Panhuys, een wetsontwerp werd aangenomen ter bevordering van de kanalisatie van Westerwolde, waarbij de regering twee derde deel van de kosten op zich nam. In 1905 werd met het werk begonnen, dat in 1918 gereed was.

Vertrek uit Groningen

Tijdens de eerder geschetste crisisperiode was hij al bezig met zijn laatste dagen als commissaris in Groningen, want per 1 januari 1893 was hij benoemd tot Commissaris der Koningin in Overijssel. Door de gespannen situatie in de provincie Groningen werd dit uitgesteld tot 1 februari 1893. Zijn verblijf in Zwolle zou van korte duur zijn, want ruim vier maanden na zijn ambtsaanvaarding volgde de eervolle benoeming tot vice-voorzitter van de Raad van State. Zijn voortdurende harde werken had zijn gezondheid echter ernstig aangetast, zodat hem per 1 januari 1897 op eigen verzoek eervol ontslag werd verleend, met gelijktijdige benoeming tot Minister van Staat.

Ansichtkaart van 'huize Nienoort', ca. 1930 - www.beeldbankgroningen.nl (1986-12257)
Ansichtkaart van 'huize Nienoort', ca. 1930 - www.beeldbankgroningen.nl (1986-12257)

Terugkeer naar de Nienoord

Van Panhuys en zijn vrouw besloten na hun terugkeer naar het noorden zich op de Nienoord te vestigen. Deze borg hadden zij bij een boedelscheiding in 1886 in bezit gekregen. Hiervoor moest 160.000 gulden worden betaald aan de andere erfgenamen. Ze lieten de tot ruïne vervallen borg met gevoel voor traditie als zomerresidentie herbouwen op een deel der oude fundamenten. Na zijn pensionering volgde een verbouwing en uitbreiding met een torenvleugel om het huis voor permanente bewoning geschikt te maken.

Helaas zou aan deze nieuwe bloeiperiode van borg en landgoed spoedig een einde komen. Bij de terugkeer naar de Nienoord op 6 november 1907 raakte de koets, waarin behalve Van Panhuys en zijn vrouw ook zijn zoon en schoondochter zaten, bij dichte mist in het Hoendiep te water, waarbij alle inzittenden verdronken. Nienoord bleef onbewoond tot 1958, toen hierin het Nationaal Rijtuigmuseum werd gevestigd.

"De plaats X waar het ongeluk voorviel. De koetsier meende, naar men zegt, dat hij de bocht, voorbij het tolhek te zien, reeds genaderd was. Rechts op de foto het portret van de palfrenier Meindert van Wijk." - foto: Historische Kring Gemeente Leek (6690)
"De plaats X waar het ongeluk voorviel. De koetsier meende, naar men zegt, dat hij de bocht, voorbij het tolhek te zien, reeds genaderd was. Rechts op de foto het portret van de palfrenier Meindert van Wijk." - foto: Historische Kring Gemeente Leek (6690)