Groninger kerken

1815-1914

Een predikantenleven in de negentiende eeuw

In de negentiende eeuw stond Hendrik Gerrit Cannegieter op de kansel van de Jacobuskerk van Zeerijp. Hij was een beetje boer en bovenal een bewonderenswaardige burger.

Een predikantenleven in de negentiende eeuw

De achterzijde van de huidige pastorie van Zeerijp, pal naast de Jacobuskerk. De schuur met het zwartgedekte dak stamt waarschijnlijk (deels) uit de tijd van Cannegieter. – Foto: De Verhalen van Groningen

Hendrik Gerrit Cannegieter stamde uit een domineesfamilie, zijn vader, beide grootvaders en ooms waren predikant in Friese en Groningse plattelandsgemeenten en Hendrik volgde het voetspoor van zijn voorvaderen. Geboren te Sneek in 1790, ging hij in 1808 studeren aan de universiteit van Groningen. Na zijn studie werd hij in 1813 predikant in Garrelsweer, waarna hij in 1823 werd beroepen in Zeerijp. Daar bleef hij prediken tot zijn dood in 1859.

In Garrelsweer trouwde hij in 1815 met zijn volle nicht Tjeerdina Cannegieter, daar werden ook hun eerste vijf kinderen geboren. De volgende acht kwamen in Zeerijp ter wereld.

De weem

Het groeiende predikantengezin woonde in de pastorieboerderij, de weem, naast de kerk (Borgweg 10). De pastorie die er nu staat, moet van na die tijd zijn. Het is mogelijk dat Cannegieter naast predikant ook boer was; dat was van oudsher zeer gebruikelijk en in de schuur van de boerderij was ruimte voor vier paarden en tien koeien. Een predikant stond wel in hoog aanzien, maar hij moest er vaak wat naast doen om in zijn onderhoud te voorzien. De aangrenzende pastorielanderijen besloegen een oppervlakte van ruim 7,5 ha, maar of hij daarvan werkelijk land in gebruik had is niet bekend. In ieder geval zal op zijn minst de opbrengst van de tuin en de boomgaard hard nodig zijn geweest voor een gezin met twaalf kinderen (één kind werd doodgeboren). De weem moet nogal primitief geweest zijn en natuurlijk stond het gemak (de wc) ver weg. Vooral ’s winters was de tocht erheen koud en donker. Maar gelukkig was het een tweepersoonsgemak, dat scheelde.

Het gezin

Cannegieters vrouw stierf jong. Zij was bijna 50, het jongste kind was toen pas vier. De oudere dochters namen de rol van de moeder over. Ondanks zijn drukke leven was Hendrik ook nog een goede leermeester. Hij gaf zijn kinderen zelf les en leidde zijn zoons zo ver op dat vijf van de zes naar de universiteit konden. De oudste promoveerde zelfs cum laude in de geneeskunst. Twee werden eveneens predikant en de jongste twee (nummers elf en dertien) werden apotheker. Ook de dochters profiteerden mee van deze lessen en waren zeer belezen.

“Het leven op de pastorie was gezellig, er was veel contact met de families in de pastorieën in de omtrek, vooral ’s winters als ze elkaar op de schaats konden bezoeken,” schrijft zijn jongste kleindochter, Mieke Cannegieter. “Maar het was uiterst sober, het traktement was minimaal en ze zouden er niet gekomen zijn zonder de gaven in natura van de gemeenteleden. Ze aten meest roggebrood, wittebrood was een traktatie, iets óp het brood eveneens. Op verjaardagen kregen ze een grote krakeling en werd er chocolade gedronken op vaders studeerkamer. Dat was een feest! De zusters [dochters, EWH] moesten om beurten voor het middagmaal zorgen. Eén van de zusters werkte erg graag in de tuin, ze vergat daarbij de hele kokerij; om gauw klaar te zijn bakte ze dan pannenkoeken van een vinger dik. Haar vader had daardoor voor zijn leven genoeg van pannenkoeken!”

Dankbaar

Het was duidelijk een hecht en gezellig gezin, wat ook blijkt uit het feit dat de kinderen nog jaarlijks bij elkaar kwamen na de dood van hun vader in 1859. Ook de boodschap op de grafsteen van hun ouders spreekt boekdelen: 'Hun leven was opofferende liefde.'

Uit: Genealogie van het geslacht Cannegieter. Mieke Cannegieter, 2010

Informatie over de Jacobuskerk: www.groningerkerken.nl