Groninger kerken

Een kijkje in Groninger grafkelders

Veel Groninger kerken hebben grafkelders. Statussymbolen voor aanzienlijke families in lang vervlogen tijden. De crypten, waar doorgaans weinig over bekend is, prikkelen al een eeuwigheid de fantasie. In het boekje Een grote hoop verrot holt en dog weijnig beenderen bevredigt Harry Brouwer een deel van de nieuwsgierigheid.

Een kijkje in Groninger grafkelders
De kelder of crypte onder het praalgraf in Midwolde. - Foto: Stichting Oude Groninger Kerken

De uitgave, die deel uitmaakt van een reeks over kerkhoven en kerken, rekent al snel af met de gedachte dat in de grafkelders soms schatten te vinden zijn. Uit de schaarse berichten van mensen die crypten hebben bezocht, maakt Brouwer op dat daarvan geen sprake is. Wat er werd aangetroffen was volgens hem doorgaans 'veel water, een ongeordende troep van houtresten, botten en schedels'.

Voor zijn publicatie voor de Stichting Oude Groninger Kerken moest Brouwer intensief spitwerk verrichten. Alleen de grafkelder in de kerk van Midwolde, waar ooit de bewoners van de borg Nienoord in Leek werden bijgezet, is goed gedocumenteerd. Over de andere crypten was weinig bekend. Zelfs in de Groninger Archieven kon Brouwer maar mondjesmaat informatie vinden. Hij was vooral aangewezen op oude kranten. “Journalisten wisten vaak spannende en lugubere verhalen te schrijven als er weer een grafkelder was ontdekt,” stelt hij.

Brouwer besteedt aandacht aan crypten in onder meer Oldehove, Feerwerd, Sauwerd, Midwolde, Aduard, Pieterburen, Ulrum en Wehe-Den Hoorn. In totaal komen er zestien grafkelders aan bod, waarover hij tal van wetenswaardigheden weet te melden.

Chaos in de grafkelder in Wehe-Den Hoorn. - Foto: Stichting Oude Groninger Kerken
Chaos in de grafkelder in Wehe-Den Hoorn. - Foto: Stichting Oude Groninger Kerken

Weense gravin

Zo blijken in de grafkelder van de Liudgerkerk in Oldehove de stoffelijke resten van de in het kraambed overleden Weense gravin Margaretha Joanna van Cobenzl (1698-1730) in een fraaie, stenen doodskist te rusten. Zij was de echtgenote van Ludolf Luurt Ripperda, zoon van landjonker Johan Willem Ripperda die de Oldehoofster borg Jensema bezat.

Een getuige van de opening van de crypte in 1832 beschreef wat hij aantrof als volgt: “De gravinne is in eene kist, die van buiten gerekend, eerst zerk, dan hout en eindelijk lood is, in de grafkelder, Fritema, bygezet.” Het hout bleek in 1970, toen de kerk werd gerestaureerd, vergaan. De dekplaten van de stenen doodskist lagen los van elkaar en het beslag waarmee ze waren verbonden, ontbrak. Verspreid over de vloer lagen in het water veel botten en schedels. Brouwer uit het vermoeden dat mensen er naar kostbaarheden hebben gezocht.

'Natte jonkers'

‘Natte jonkers brachten opwinding in Feerwerd’ luidt een krantenkop uit 1936. Een journalist schreef een pakkend verhaal over de vondst van een grafkelder in de Jacobuskerk. “Groot tumult in het anders zo rustige dorpje Feerwerd, toen daar een grafkelder met drie lijken werd ontdekt”, is de openingszin van zijn verslag.

Gedetailleerd beschrijft hij de zoektocht die leidt tot een ontluisterende ontdekking: “Binnen in het donkere hol trof men, oneerbiedig gezegd, een geweldige puinhoop aan. Drie kisten met resten van drie mensen.” Het betrof Gerhard Aldringa van de Grote Borg in Feerwerd (bijgezet in 1604), vrouwe Meint Aldringa en Popco Aldringa. Het vermoeden werd geuit dat één van de kisten ‘door schendende handen’ naar de ingang was versleept. De plaatselijke arts stelde verder vast dat in één schedel een scheur zat, veroorzaakt door een sabelhouw.

Aduard

De Aduarder kerkvoogdij liet op 24 juni 1903 de grafkelder van de familie Lewe door de timmerman voor 3,60 gulden openen en leegpompen. In de crypte in de kerk – ooit de ziekenzaal van het omvangrijke cisterciënzerklooster in het dorp – werden slechts resten van kisten en beenderen aangetroffen.

Brouwer meldt tevens dat watergeus Diederik Sonoy in 1597 is bijgezet in een kelder in de kerk van Pieterburen. Bijzonder is ook de vondst van het gebalsemde lijkje van een vijfjarig meisje in de kerk van Harkstede. Een bezoeker van de grafkelder beschreef wat hij in 1928 bij het licht van lucifers zag: een kind met ‘kuiltjes in de wangen, iets lachend en met krulletjes op het voorhoofd’.

Heimelijk bijgezet

Over de grafkelder in de kerk van Midwolde is al veel gepubliceerd. Opmerkelijk is echter wat Brouwer schrijft over de ‘kreupele jonker’ Scato Ludolph von In- und Kniphausen, die in 1836 – lang na het officiële verbod op het begraven in kerken van 1829 – ’s nachts nog heimelijk werd bijgezet. De onfortuinlijke edelman viel in een beerput achter een bijgebouw van Nienoord en verdronk.